Voordat we tot de kern komen, even wat cijfers over hoeveel nieuwe kleding er jaarlijks wordt gekocht. In Frankrijk werden er, zonder huishoudtextiel en schoenen mee te tellen, in 2022 2,7 miljard kledingstukken op de markt gebracht1. Dat is meer dan dozen van zes eieren.
In 2022 verbruiken we onze kleding sneller dan onze eierdozen. Bron: En Mode Climat.
Als we de onverkochte kleding eraf halen2, koopt elke Fransman dus gemiddeld 40 nieuwe kledingstukken per jaar3. Dat is veel: in de jaren 80 was dat ongeveer de helft4. Liepen mensen daardoor slecht gekleed rond? Oordeel zelf, maar ze hadden in elk geval wel iets om aan te trekken.
Bewijs dat BHL niet het overhemd tot aan de navel opengeknoopt heeft uitgevonden.
2. Voor de planeet moeten we minder kopen
Zo’n massale kledingconsumptie is niet zonder ecologische gevolgen. We hebben die al in verschillende artikelen beschreven: broeikasgasuitstoot, aantasting van de biodiversiteit, microplastics… Als je geen tijd hebt om ze te lezen, onthoud dan dit: produceren is vervuilen.
Kunnen we deze vervuiling snel en aanzienlijk verminderen, terwijl we dezelfde consumptievolumes aanhouden, dankzij technische innovaties? Dat is vrij onwaarschijnlijk:
De reductie die technische innovaties mogelijk maken, is simpelweg te klein. Kijk bijvoorbeeld naar “recycling”, vaak door merken naar voren geschoven als dé oplossing: zelfs met enorme inspanningen zou het de broeikasgasuitstoot en het waterverbruik van de textielsector maar met 5 à 6% verminderen5.
Deze technische innovaties worden niet snel genoeg ingevoerd. Zo willen veel merken hun fabrieken “decarboniseren”, dat wil zeggen op groene energie laten draaien in plaats van op gas, kolen of olie… Een prima intentie, maar als je naar Bangladesh kijkt (na China het 2e land dat Frankrijk van kleding voorziet), zie je dat het aandeel hernieuwbare energie in de elektriciteitsproductie verwaarloosbaar is en nauwelijks toeneemt (voor wie hier dieper op in wil gaan, verwijzen we naar dit artikel over het verminderen van CO2-uitstoot in de textielsector).
Het aandeel van zon en wind in de elektriciteitsmix van Bangladesh = de bijna onzichtbare rode lijn. Bron: IEA.
Sommige technische innovaties kunnen nuttig zijn, maar ze kunnen ook dienen als rookgordijn dat ons de olifant in de kamer laat missen: produceren is vervuilen (nogmaals). Dus de snelste en doeltreffendste manier om de vervuiling door mode te verminderen, is nog altijd: minder kleding produceren.
Maar de lawine aan reacties op de reclame over die “ontverkopers” doet vermoeden dat, zelfs als minder kleding kopen nodig zou zijn vanuit ecologisch oogpunt, dat een ramp zou zijn vanuit economisch oogpunt. We zouden honderden kledingbedrijven sneller de deuren kunnen zien sluiten. Met andere woorden, deze reclame doet een nieuwe versie herleven van het debat “einde van de wereld versus einde van de maand”, maar dan toegepast op bedrijven.
Klopt dat dan echt? Zou minder kleding kopen automatisch een economische ramp veroorzaken?
3. Voor de economie moeten we minder kopen en meer lokaal produceren
Voordat we het hebben over de economische gezondheid van kledingbedrijven, kijken we eerst naar die van het land als geheel.
De risico’s van overconsumptie voor de Franse economie
Omdat de meeste textielfabrieken in Azië staan, verlaat er geld Frankrijk zodra je een kledingstuk koopt.
Herkomst van in Frankrijk gekochte kleding. Oftewel Pac-Man op je rug. Bron: FIMIF
In 2021 was textiel, met een tekort van meer dan 12 miljard euro, onze 3e meest verlieslatende sector, en was zij alleen al verantwoordelijk voor meer dan 20% van het totale tekort exclusief energie6. En de torenhoge handelstekorten van Frankrijk hebben gevolgen. Om ze te betalen, moeten we schulden aangaan bij het buitenland. Meer uitleg in dit rapport, maar (heel) simpel gezegd is het alsof je geld leent bij de bank om elke dag uit eten te gaan in plaats van thuis te koken.
Let op, schulden maken is niet per se slecht: dat is te begrijpen als het gaat om zeldzame metalen voor investeringen in de energietransitie, of machines om onze farmaceutische industrie terug naar huis te halen. Maar als het gaat om miljarden low cost kledingstukken te laten binnenkomen, komt het gewoon neer op boven onze stand leven. En dat kan niet eeuwig duren7. Al die uit het buitenland geïmporteerde kleding is dus geld dat we niet kunnen investeren in zaken die echt nuttig zijn voor onze economie.
Bovendien is er de gederfde belastinginkomsten door al die fabrieken die naar het buitenland zijn verhuisd. Minder bedrijven in Frankrijk betekent minder geïnde belastingen en uiteindelijk minder geld om scholen of ziekenhuizen te financieren.
Kortom, deze overconsumptie van geïmporteerde kleding is riskant voor de Franse economie als geheel. Maar als we naar de kledingsector zelf kijken: zou meer soberheid de winkelketens die het al moeilijk hebben niet extra in gevaar brengen?
Het probleem van de Franse textielsector is niet soberheid, het is low cost
Ja, 2022 en 2023 waren rampzalig voor sommige Franse merken. Je herinnert je misschien nog de faillissementen van Camaïeu, Kookaï, San Marina, Jennyfer of Pimkie… Het is duidelijk een heel zware periode.
Maar wat zijn daarvan de oorzaken? Komt het doordat de Fransen over de hele linie veel minder kleding zijn gaan kopen door de inflatie en een dalende koopkracht?
Dat lijkt niet echt het geval: voor 2023 hebben we nog geen officiële cijfers, maar in 2022 bleef het aantal geproduceerde kledingstukken stijgen (+2%8). En wat we wel zien, is dat sommige merken het juist goed doen. Kiabi boekte in 2022 +10% omzet en buitenlandse fast-fashionketens breken alle records, zoals Uniqlo, H&M, Zara of Primark9. Daar moeten we natuurlijk ook de nieuwkomers van de ultra fast fashion bij optellen, zoals Shein of Temu.
Met andere woorden, de oorzaak van de problemen van deze ketens is niet dat de Fransen soberder zijn gaan consumeren: het is eerder een verschuiving van de consumptie naar low cost ketens door de inflatie10. Trouwens, het zijn wel degelijk de goedkope ketens die tegenwoordig het grootste deel van de Franse textielconsumptie naar zich toe trekken: 7 op de 10 in Frankrijk verkochte kledingstukken zijn inmiddels low cost11. En dat valt meteen op als je kijkt naar de top 10 van merken die het meest verkopen in Frankrijk:
Marktaandeel in volume van de 10 grootste ketens in Frankrijk in 202312
Oké, maar ook al wordt de markt gedomineerd door deze low cost ketens, Frans of buitenlands, dan levert dat toch nog altijd veel banen op in de detailhandel? Als de Fransen de komende jaren echt minder kleding zouden gaan kopen, zou dat dan geen risico op werkloosheid met zich meebrengen?
Dat is verre van zeker. In de afgelopen 50 jaar heeft de zeer snelle stijging van het aantal verkochte kledingstukken geen banen opgeleverd bij kledingketens, integendeel.
Tussen 1971 en vandaag, terwijl het consumptievolume van kleding meer dan verdubbelde, zijn er 30.000 banen verdwenen in de kledingdetailhandel13. Nooit hebben we zoveel kleding geconsumeerd, nooit waren er zo weinig banen in de detailhandel. De schuld van online verkoop? Deels, maar minder dan je zou denken. Als je naar de cijfers kijkt, waren de banen in de textielhandel al flink gedaald vóór de grote opkomst van internet14.
Het probleem achter de daling van de banen in de Franse kledinghandel is in werkelijkheid low cost. De relatieve prijs van kleding (vergeleken met de inkomens) is in 30 jaar tijd gehalveerd. Winkeliers verkopen dus wel meer kleding, maar daar houden ze niet meer aan over15. Simpel gezegd: vroeger konden veel kleine winkels leven van de verkoop van kleding; tegenwoordig wordt goedkope kleding verkocht in grotere winkels die veel volume draaien, maar met minder personeel.
En het zijn niet alleen de winkeliers bij wie low cost banen heeft doen verdwijnen, het heeft er ook elders in de textielsector enorm veel vernietigd:
In de fabrieken: omdat deze kleding steeds minder in Frankrijk wordt gemaakt, is het aantal banen in de textielindustrie in 30 jaar tijd door drie gedeeld16.
In de naai- en verstelateliers en de schoenmakerijen: omdat de Fransen nu veel meer nieuwe kleding kopen, laten ze hun eigen kleding minder repareren. Om een idee te geven: het aantal schoenmakers in Frankrijk daalde van 45.000 in de jaren 5017… naar nog maar 3500 vandaag18.
En dan zijn er nog alle indirecte banen die verdwijnen in de textielbekkens: als een fabriek sluit, sluiten ook de bakker, het café, de bank of het postkantoor. In noodlijdende textielregio’s zoals de Nord, de Aube of de Vosges (regio’s in Frankrijk) blijft de werkloosheid veel hoger dan in de rest van Frankrijk19.
Roubaix, een stad in het noorden van Frankrijk en vroeger de “stad van de duizend schoorstenen”, ex-hoofdstad van de Franse textielindustrie, kent tegenwoordig bijna 30% werkloosheid20.
***** Terzijde *****
Ja maar, low cost ketens zijn toch goed: daardoor kunnen kansarme groepen zich ook kleden, toch?
Ja, maar toch niet. Goedkope kleding geeft inderdaad koopkracht en maakt het voor Fransen die het moeilijk hebben makkelijker om nieuwe kleding te kopen. Maar als je afstand neemt, zie je dat het een vergiftigd cadeau is:
De arbeidersklasse is het eerste slachtoffer van low cost: de verplaatsing van de textielindustrie naar het buitenland sinds de jaren 80 heeft enorm veel banen vernietigd, zoals hierboven uitgelegd. Een deel van deze voormalige industriële banen (om onze kleding hier te maken) is omgezet in banen in de logistiek en het transport (om onze kleding uit het buitenland te importeren), maar er zijn er minder, onzekerder en slechter betaald.
De prijzen van kleding zijn zo belachelijk laag en de consumptiedruk zo sterk (nieuwe collecties, kortingen…) dat zelfs mensen uit kansarme groepen meer kopen dan ze in hun budget hadden gepland (zoals deze mevrouw in deze reportage “vaak tot op de euro nauwkeurig”).
De verplaatsing van fabrieken naar het buitenland zorgt voor gederfde belastinginkomsten voor het land. Minder bedrijven in Frankrijk betekent minder geïnde belastingen en uiteindelijk minder geld om onderwijs of zorg te financieren. En publieke voorzieningen zijn nu net het bezit van wie verder niets heeft.
Kansarme groepen zijn ook de eersten die te lijden hebben onder de gevolgen op lange termijn van overconsumptie, in het bijzonder die van de klimaatverandering
Het overgrote deel van de low cost-verkopen komt niet van de allerarmsten: als 7 op de 10 in Frankrijk verkochte kledingstukken goedkoop zijn, betekent dat dat het klantenbestand van low cost ketens veel breder is dan alleen de armste groepen. Het argument om low cost modellen in hun naam te verdedigen, klopt dus niet echt.
***** Einde van de terzijde *****
Als we de industrie terughalen, kunnen we soberheid combineren met gezonde bedrijven
Om weer welvaart en banen te creëren in de textielsector, moeten we dus opnieuw doen… zoals vroeger: kleding maken minder maar wel kleding maken lokaler, in Frankrijk of Europa.
Dat zou banen creëren:
In de fabrieken: om een idee te geven, de textielindustrie in Italië is nog altijd goed voor 464.000 banen, tegenover slechts 105.000 in Frankrijk21.
In de kledingwinkels, want kleding met een hogere waarde zou winkeliers een beter inkomen opleveren;
In de naai- en verstelateliers en de schoenmakerijen: minder nieuwe kleding betekent meer gerepareerde kleding;
Zonder de indirecte banen te vergeten: als er een fabriek komt, levert dat ook werk op voor andere fabrieken in het ecosysteem en voor lokale winkels22.
En daarnaast zouden we ook onze planeet niet vernietigen en geen kleding meer laten maken aan de andere kant van de wereld onder onwaardige omstandigheden. Ter herinnering: in termen van koopkracht komt werken in de textiel in Bangladesh overeen met meer dan 60 uur per week werken in Frankrijk23 om ongeveer 391 € per maand te verdienen24 (zelfs met de recente loonsverhogingen na de massale protesten in het land meegerekend). Hoe kun je onder die omstandigheden waardig leven?
Het is te begrijpen dat deze video een deel van de kledingwinkeliers heeft gestoord, die dachten dat een boodschap van soberheid hen op korte termijn nog meer pijn zou doen. Maar we moeten niet de verkeerde vijand aanwijzen: het echte gevaar voor de textielsector is niet soberheid, het is low cost. De belachelijk lage prijzen in de mode brengen ons milieu in gevaar en maken het onmogelijk om fabrikanten en winkeliers fatsoenlijk te betalen. Soberheid daarentegen kan juist hoopvol zijn, als dit “minder kopen” gepaard gaat met een “beter kopen” – met kleding die lokaler wordt gemaakt, onvermijdelijk tegen hogere prijzen, maar met een waardig loon voor iedereen.
Wat we de regering kunnen verwijten met betrekking tot deze video, is dat ze het bij een communicatiecampagne om het grote publiek bewust te maken heeft gelaten, terwijl het probleem bij de wortel zou moeten worden aangepakt, met wetten die soberheid en herlokalisatie bevorderen. Voorbeeld: fast-fashionmerken bestraffen die kleding maken met hongerlonen en klanten aanzetten om steeds meer te kopen (iets wat we samen met tal van andere textielmerken vragen via de beweging En Mode Climat).
Uiteindelijk laat de storm van kritiek rond deze video, die soberheid bepleit, vooral zien dat we ervan uitgaan dat er zonder meer een tegenstelling bestaat tussen “soberheid” en “welvaart”. Maar het voorbeeld van textiel toont aan dat die tegenstelling niet op de cijfers gebaseerd is: als we de productie terughalen, kunnen we allebei combineren.
Tot slot, door de ecologische gevolgen van hun productie te veel te negeren, zagen bedrijven de tak af waarop ze zitten: op lange termijn hebben ze energie nodig om hun machines te laten draaien, grondstoffen om die te voeden, gezonde mensen om er te werken… kortom voorwaarden die de ecologische crisis stap voor stap ondermijnt. De economie zweeft niet los van de werkelijkheid: er zullen nooit gezonde bedrijven zijn op een verschroeide planeet.
Om verder te gaan:
Lees het uitstekende boek La Sobriété Gagnante van Benjamin Brice, dat laat zien dat soberheid niet als een last moet worden gezien, maar als een kans voor onze economie. Gecombineerd met een ambitieus beleid van herlokalisatie van industriële activiteiten, kan het ons helpen om zowel onze ecologische voetafdruk, onze tekorten als onze sociale ongelijkheid te verminderen.
Bekijk dit debat waaraan we hebben deelgenomen en dat de belangrijkste argumenten van het artikel samenvat.
Wie zijn wij om dat te zeggen?
Je bent op La Mode à l’Envers, een blog van het kledingmerk Loom. Het gaat niet best met de textielindustrie, en de planeet betaalt het gelag. Dus alles wat we over de branche te weten komen, proberen we je hier uit te leggen. Want duurzame kleding maken is goed, maar dingen blootleggen, delen en anderen inspireren heeft nog veel meer impact.
We maken nooit reclame: vind je wat we schrijven leuk en wil je meer? Klik dan hier om je in te schrijven voor onze nieuwsbrief. Beloofd: we mailen je hooguit één keer per maand.
2 3,3 miljard * 83% kleding / 67,8 miljoen inwoners * 99% = 40 kledingstukken / inwoner. Er is maar 1% onverkochte kleding in de textielsector. Zie Ademe-rapport 2021: “Étude des gisements et des causes des invendus non alimentaires et de leurs voies d’écoulement” : onverkochte voorraad vertegenwoordigt bruto 4,1% van de omzet van de kleding- en schoenensector. 65% van deze onverkochte kleding wordt vervolgens doorverkocht aan stockverkopers, 20% wordt geschonken aan verenigingen, 10% wordt gerecycled of gerepareerd, 5% wordt vernietigd. Van deze als “onverkocht” bestempelde kleding kan dus maximaal 20% worden vernietigd of “gedecycled” (als je ervan uitgaat dat een deel van de schenkingen aan verenigingen ook zo eindigt). Uiteindelijk vertegenwoordigt de vernietigde onverkochte kleding dus minder dan 1% van de verkopen (20% x 4,1% = 0,8%).
3 Als je schoenen en huishoudtextiel meetelt, kom je uit op bijna 50 textielstukken per Fransman.
4 In 1984 lag de kledingconsumptie in Frankrijk op 1,3 miljard, dus 23 kledingstukken per inwoner. Bron: Enquête INSEE 1984 onder 7500 huishoudens.
5 Quantis-studie Measuring Fashion 2018: als we 40% gerecyclede vezels bereiken, zouden we 5,9% minder broeikasgasemissies uitstoten en 4,5% minder water verbruiken.
7 De netto internationale investeringspositie van Frankrijk (de schuld van Frankrijk ten opzichte van de rest van de wereld) bedraagt -800 miljard €, oftewel 32% van het bbp. Frankrijk nadert het plafond van 35% van het bbp dat door de Europese akkoorden is vastgesteld. Dat is slechts een afspraak: op zich zou het niet erg zijn om die te overschrijden, maar het laat zien dat er grenzen zijn die je niet moet overschrijden om een gezonde economie te hebben. Opmerkelijk: begin jaren 2000 was Frankrijk nog netto-crediteur (dus met een positieve netto internationale investeringspositie). Bron.
9 We kennen de details van hun cijfers voor de Franse markt niet, maar er is geen reden om aan te nemen dat zij niet ook groeien.
10 Sommige experts wijzen er ook op dat deze merken de technologische omslag hebben gemist of niet genoeg hebben geïnvesteerd in hun “branding”. Dat kan ook meespelen, maar waarschijnlijk minder dan de verschuiving van de consumptie naar lagere prijzen in deze periode van inflatie. En als je het voorbeeld van Leclerc neemt, weerhoudt niet bijzonder sterk zijn op het gebied van branding of e-commerce hen er niet van om de op één na grootste kledingverkoper van Frankrijk te zijn...
13 INSEE-bronnen in voltijdequivalenten, werknemers + zelfstandigen. Voor 1971 baseren we ons op de jaarlijkse bedrijvenenquête, die dit aantal schat op 161.000 in de kleding en 32.620 in de schoenen. Voor de huidige banen baseren we ons op de verkooppuntenenquête 2009, die dit aantal schat op 134.608 in de kleding en 27.914 in de schoenen.
14 De verkooppuntenstudie van INSEE die de banenvernietiging in de detailhandel laat zien, dateert uit 2009, toen het aandeel van e-commerce in kleding nog beperkt was. Je zou ook de grote supermarkten kunnen beschuldigen van het vernietigen van banen in de kledingdetailhandel, maar zij vertegenwoordigen geen zo groot deel van de kledingverkoop: in 2011 vond volgens INSEE 17% van de kledingverkoop plaats in supermarkten.
15 De prijzen van kleding zijn de afgelopen 30 jaar in absolute termen redelijk stabiel gebleven (tussen 1990 en 2020 stegen de kledingprijzen volgens INSEE met slechts 15%), maar het gemiddelde inkomen van de Fransen is meer dan verdubbeld (stijging van het bruto vrij besteedbaar inkomen per Fransman tussen 1990 en 2020: +92% volgens INSEE, bron). Als een winkelier dus een inkomen wil bereiken dat vergelijkbaar is met dat van 30 jaar geleden, moet hij bijna twee keer zoveel kleding verkopen.
18 3.462 bedrijven geregistreerd bij het RNM met activiteitscode 95.23Z, Ademe-studie 2022 “Fonds réemploi réutilisation réparation de la filière TLC”, uitgaande van één baan per bedrijf.
19 Werkloosheidscijfer 3e kwartaal 2021 volgens INSEE : 10,0% in de Nord, 10,2% in de Aube, 8,5% in de Vosges tegenover 7,9% in het Franse vasteland.
20 Bron INSEE 2020 : 29,7% werkloosheid onder 15-64-jarigen in Roubaix. En met de sluiting van Camaïeu, dat zijn hoofdkantoor in Roubaix had, blijft het noodlot de stad achtervolgen, meer dan ooit slachtoffer van low cost textiel.
22 Het wordt algemeen aangenomen dat één industriële baan twee tot drie indirecte banen oplevert bij andere industriële spelers, en afgeleide banen in de rest van de arbeidsmarktregio, in de dienstensector en de detailhandel. Bron: Anaïs Voy-Gillis, specialist in herindustrialisatie.
23 Het initiatief Garment Workers Diaries meldt dat Bengaalse naaisters tussen december 2021 en december 2022 gemiddeld 248 uur per maand werkten, oftewel 62 uur per week (bron).
24 Het loon in Bangladesh is na de recente protesten net gestegen naar 12500 taka. Maar volgens Asian Floor Wage ligt het bestaansminimum op 53104 taka, dus het huidige minimumloon is 24% van het bestaansminimum. Aangezien het bestaansminimum voor Frankrijk 1630 euro bedraagt (bron), komt dat overeen met iemand die in Frankrijk 391 euro per maand zou verdienen. Bron: Clean Clothes Campaign.
Tientallen van jullie hebben ons dit laten weten: onze raw denim jeans (de donkerste) geeft af. Soms met dramatische gevolgen, zoals die keer dat hij afgaf op de bank van een klant (die was beige) ((en niet afneembaar)).
En ja, zoals bij vrijwel alle jeans is de onze geverfd met indigo. En in tegenstelling tot de meeste katoenverfstoffen, die "reactief" worden genoemd en tot in de kern van de draad doordringen, is indigo een zogenoemde "pigmentkleur" die aan de oppervlakte van de draad blijft zitten zonder er volledig in door te dringen. Dat is trouwens ook precies wat jeans zo mooi maakt: de kleur is licht onregelmatig, krijgt patina op plekken waar wrijving is… kortom, hij leeft.
Het probleem is dat wanneer je een jeans in raw denim koopt (= niet in de fabriek gewassen, en nog niet bij jou thuis gewassen), de indigokleur soms terechtkomt op de oppervlakken waarmee hij in contact komt: huid, kleding… en banken.
In onze onderhoudstips geven we aan dat je voorzichtig moet zijn en hem beter niet kunt dragen met brandschone witte schoenen als het regent… maar dat is niet altijd genoeg. En af en toe laten jullie ons weten teleurgesteld te zijn over het afgeven van deze raw denim jeans.
Dus stelden we onszelf twee vragen:
Geeft onze jeans echt meer af dan andere? (zo ja, dan moeten we samen met onze denimleverancier een andere aanpak vinden)
Hoe beperk je het afgeven van een raw denim jeans?
Dit artikel probeert die vragen te beantwoorden aan de hand van zelf uitgevoerde tests.
Ja, onze jeans geeft af, maar niet meer dan jeans van andere merken
Trouwens, wanneer klanten ons laten weten dat hun jeans "afgeeft", gaat het eigenlijk om twee dingen: 1- afgeven in water: wanneer je je witte T-shirts samen met je jeans wast en ze er blauw uitkomen, en 2- kleuroverdracht door wrijving: wanneer je je handen over je dijen wrijft en ze – ook – blauw worden.
Om te begrijpen of onze jeans meer afgeeft dan andere, heb ik jeans van verschillende merken (waaronder natuurlijk de onze) 1 uur laten weken, waarbij ik elke jeans 4 minuten heb geroerd, en daarna de kleur van het weekwater vergeleken.
"Wij zijn de winnaars, wij zijn de winnaars, wij zijn - wij zijn - wij zijn de winnaars"
Heel goed nieuws: van de 4 jeansmerken die ik heb getest, is de onze degene die het minst afgeeft.
De test voor kleuroverdracht door wrijving
Het is heel fijn om te zien dat de Loom-jeans het minst afgeeft, maar ik wilde ook een tweede test doen om helemaal zeker te zijn: de wrijftest. Daarvoor heb ik elke jeans precies 3 minuten lang met de hand met wit textiel gewreven en daarna de kleur van de stukjes stof vergeleken.
Het resultaat is minder glorieus dan dat van de eerste test: van de 4 geteste jeans gaf de Muji-jeans het minst af. De Loom-jeans gaf daarentegen evenveel af als twee andere jeans: de COS en de Levi's.
De koude douche.
Op basis van deze twee tests is er dus niets alarmerends aan de hand: onze jeans geeft af, maar niet meer dan die van andere merken. Geen reden om ons productieproces met onze leverancier te veranderen (wat sowieso erg lastig en extreem kostbaar zou zijn…).
Onze tips om te voorkomen dat je jeans afgeeft
Oké, er is geen twijfel meer mogelijk: onze jeans geeft af. Maar bestaan er technieken om de verf thuis beter te fixeren? Op internet vind ik allerlei "huis-tuin-en-keukentrucjes": je jeans laten weken in een teil met water en azijn of grof zout, hem op hoge temperatuur wassen… Maar werkt dat ook echt?
Je kent me inmiddels een beetje: ik heb al deze methodes getest. En omdat onze jeans in water maar heel weinig afgeeft, heb ik me gericht op de tests voor kleuroverdracht door wrijving. Daarvoor heb ik uit onze jeans 6 vierkantjes geknipt:
Nieuwe jeans,
Nieuwe jeans, 3 keer gewassen op 30°C en aan de lucht gedroogd,
Nieuwe jeans, een nacht geweekt in water en azijn, de volgende dag gespoeld en aan de lucht gedroogd,
Nieuwe jeans, een nacht geweekt in zout water, de volgende dag gespoeld en aan de lucht gedroogd,
Nieuwe jeans, een nacht geweekt in zout water + azijn, de volgende dag gespoeld en aan de lucht gedroogd,
Nieuwe jeans, 3 keer gewassen op 60°C en aan de lucht gedroogd.
Om mijn wrijftest te verbeteren, kreeg ik het idee om mijn elektrische schuurmachine te gebruiken, met wit textiel in plaats van schuurpapier, en elk vierkantje 3 minuten lang te "schuren". Het voordeel van deze verbeterde methode is dubbel: de resultaten zijn veel duidelijker, en mijn pols wordt minder belast.
Het resultaat laat niets te raden over: de beste tip om te voorkomen dat je jeans afgeeft, is hem 3 keer op 60°C te wassen (6). De jeans die een nacht in zout water werd geweekt (4) laat ook heel goede resultaten zien, gevolgd door de jeans die 3 keer op 30°C werd gewassen (2). De jeans die een nacht in water met azijn werden geweekt, met of zonder zout (3 en 5), laten daarentegen geen overtuigend resultaat zien: ze geven net zoveel af als de nieuwe jeans (1).
Conclusie
De meest effectieve methode om kleuroverdracht door wrijving te beperken, is dus je jeans 3 keer op 60°C te wassen. Maar dat is absoluut niet wat ik je aanraad, want als je dat doet 1- vergaat de kleur van je jeans sterk (hij verliest zijn mooie raw denim-kleur) 2- loopt hij het risico om te krimpen in je wasmachine.
De jeans die 3 keer op 60 °C is gewassen (vierkantje 6, rechts) is het meest vervaagd. De jeans die 3 keer op 30°C is gewassen (vierkantje 2) is weinig vervaagd vergeleken met de nieuwe jeans (vierkantje 1). De jeans die geweekt zijn in azijn en/of zout water zijn niet vervaagd. Eigenlijk kun je, als je je jeans 3 keer op 60°C wast, net zo goed meteen een stone-gewassen jeans kopen (= al in de fabriek gewassen)! Dat komt ongeveer op hetzelfde neer en scheelt je een hoop gedoe.
Dus als je de verf beter wilt fixeren ÉN toch een jeans met een mooie raw denim-kleur wilt houden, raad ik de methode met zout water aan: laat je nieuwe jeans een nacht weken in een teil lauw water met een glas grof zout (zout fixeert kleuren). Was hem daarna op 30°C samen met andere donkere kleding, en laat hem aan de lucht drogen.
Maar het zal nooit helemaal wonderbaarlijk werken: een raw denim jeans geeft, ongeacht het merk, af de eerste keren dat je hem draagt. Dat betekent dat je, totdat je hem minstens drie keer hebt gewassen, beter geen witte sneakers kunt dragen of op een lichte bank kunt gaan zitten.
En als je je hier liever helemaal niet druk over maakt, raad ik je aan te kiezen voor jeans die al in de fabriek zijn gewassen, zoals de stone (een iets lichtere wassing dan raw denim) of de bleached (daarbij is de jeans veel lichter) want die geven veel minder af.
Wie ben ik om je iets te vertellen over het onderhoud van je kleding?
Ik heet Claire en ik ben verantwoordelijk voor het opvolgen van de productie bij Loom. Kortom, ik probeer te voorkomen dat producten op onze site uitverkocht raken (oké, dat is nog niet perfect, maar ik werk eraan) en ik zorg er tijdens elke fabricagestap voor dat de kleding aan onze kwaliteitseisen voldoet. Daarnaast ben ik gepassioneerd door alles wat de levensduur van onze kleding verlengt: onderhoud, reparatie en andere huis-tuin-en-keukentrucjes. Ik geef kleding graag een "extra ziel", werk ze om, repareer ze, geef ze een nieuwe kans wanneer niemand ze nog wil. Op deze pagina's probeer ik met je te delen wat ik weet en wat voor jou nuttig kan zijn. Nog één ding: alle trucjes die je op deze site vindt, heb ik echt zelf getest en ik heb persoonlijk gecontroleerd dat ze werken (met andere woorden, het is geen kopieerwerk van zoekresultaten op internet). Heb je nieuwe trucjes die je me wilt voorstellen? Aarzel niet om een reactie achter te laten onder dit artikel.
Voordat we het over gerecycled polyester hebben, laten we je eerst de « maagdelijke » versie voorstellen (dat wil zeggen: niet-gerecycled). En daarvoor laten we je graag het bedrijf zien dat zichzelf uitroept tot 's werelds grootste textielbedrijf : Hengli.
Als je duizenden arbeidsters achter naaimachines verwacht, kom je bedrogen uit. Een fabriek van Hengli in China ziet er eerder zo uit:
Twee supertankers die miljoenen liters olie lossen in een megafabriek, waar die via zware industriële stappen van raffinage en stoomkraken wordt omgezet in… polyester. Jazeker: polyester is in de basis gewoon aardolie.
Polyester: een groeicijfer waar Bruno Le Maire van droomt.
Hoe valt zo'n stijging te verklaren?
Omdat polyester altijd goedkoper was dan katoen? Dat dachten wij, net als de meeste mensen, ook. Maar als je naar de cijfers kijkt, blijkt dat niet te kloppen. Tot 2010 lagen de prijzen van beide materialen ongeveer op hetzelfde niveau2 :
Vergelijking van de prijsontwikkeling van polyester- en katoenvezels in Azië, in US cent per pond (klik hier voor de volledige analyse).
Wat de opmars van polyester vooral verklaart, is dat je er voor veel toepassingen kleding mee kunt maken die beter geschikt is dan kleding van katoen3 :
Kleding die snel droogt om te sporten: Nike, Adidas en Decathlon weten daar alles van
Waterdichtere of warmere kleding, geschikt voor buiten: niet voor niets waren Patagonia en The North Face er als eerste bij
Technischere kleding voor elke dag: zoals bij Uniqlo met de Heattech-technologie om warmte vast te houden of Airism om beter te ademen
Vloeiendere stoffen die minder kreuken, perfect voor jurken of dameskleding
Materialen die minder snel vervormen, geschikt voor bijvoorbeeld joggingbroeken of leggings
Stoffen die beter bestand zijn tegen wrijving en wasbeurten, en daarom veel gebruikt worden in werkkleding, meubelstoffering of de medische sector.
Enzovoort.
En de planeet dan?
Op het eerste gezicht niets dramatisch. Om de milieu-impact van materialen te beoordelen – en daarover te communiceren naar klanten – baseren de meeste merken zich op de Higg-index. Volgens dit instrument zou polyester een van de meest ecologische materialen ter wereld zijn… zelfs milieuvriendelijker dan biologisch katoen!
Vergelijking van de impact volgens de Higg-index voor verschillende textielmaterialen (klik hier voor de bron).
Dat is niet helemaal onlogisch: in de gigafabrieken voor polyester is het productieproces zo geoptimaliseerd en geïndustrialiseerd dat de milieu-impact, herleid naar het niveau van een kledingstuk, misschien wel wat lager uitvalt.
Dus, klopt het, is polyester echt duurzaam?
Helaas niet.
Ten eerste: hoewel de Higg-index de referentie is die merken over de hele wereld gebruiken, biedt hij weinig transparantie over zijn rekenmethodes en schiet hij tekort op betrouwbaarheid. Volgens een recent onderzoekbaseert de index zich, om de impact van polyester te beoordelen, op de gegevens van één Europese fabriek, terwijl de overgrote meerderheid van de productie in Azië plaatsvindt, onder waarschijnlijk minder gunstige milieu- (en arbeids)omstandigheden. Na kritiek van verschillende media en organisaties is deze index trouwens officieel on hold gezet medio 2022, in afwachting van een herziening van de gegevens en rekenmethodes door onafhankelijke auditors.
Maar het grootste probleem van de Higg-index is niet zijn gebrek aan betrouwbaarheid: het is vooral wat hij niet meet. En dan gaat het vooral om drie dingen.
1/ Polyester maken is ook benzine maken
Terug naar Hengli, het Chinese polyesterbedrijf. Wanneer ze olie raffineren, krijgen ze niet alleen “nafta”, de basisgrondstof voor polyester. Ze krijgen ook een aantal vloeistoffen die we allemaal kennen: benzine, diesel, stookolie en kerosine.
De machine om olie te raffineren:een soort megadistilleerketel, alleen komt er geen whisky uit
En al die producten verkopen ze door. In 2019 was Hengli zelfs het eerste particuliere Chinese bedrijf met het recht om kerosine door te verkopen aan luchtvaartmaatschappijen. En elk jaar verkopen ze meer dan 6 miljoen ton benzine en diesel, het equivalent van meer dan 10% van het Franse verbruik (!)4.
Hengli is een perfecte illustratie van de huidige trend in de olie- en gasindustrie5 : wat de vraag tegenwoordig aandrijft, is plastic (jazeker, polyester is gewoon plastic), dat goed zal zijn voor meer dan de helft van de groei van de oliesector tot 2050. Wanneer de dictator van Oeganda de economische logica verdedigt van de zeer omstreden EACOP-pijpleiding van Total, verwijst hij… naar zijn polyester overhemd en de economische afzetmogelijkheden van synthetische materialen.
Wie had gedacht dat een kuikengeel overhemd als alibi zou dienen voor een van de grootste klimaatbommen van onze tijd? Aaah de mode, de mode, de mode…
De productie van synthetische materialen zoals polyester levert dus inkomsten op voor de olie-industrie. Dat ondersteunt de productie van benzine of kerosine, terwijl fossiele brandstoffen verantwoordelijk zijn voor twee derde van de wereldwijde CO2-uitstoot.
Maar polyester heeft nog een bijproduct dat bijna even vervelend is: fast fashion.
2/ Zonder polyester geen fast fashion
We kennen de dramatische ecologische gevolgen van fast fashion en van de 100 miljard kledingstukken die elk jaar wereldwijd worden geproduceerd, onder meer vanwege de broeikasgassen die vrijkomen bij de vervaardiging: spinnen, weven, verven, confectie…
Wat de wildgroei aan H&M's en Zara's mogelijk maakte, waren vooral de belachelijk lage prijzen (dankzij de verplaatsing van productie naar landen met slecht betaalde arbeidskrachten) en de razendsnelle opeenvolging van collecties om consumptie aan te wakkeren. Zoals we al zagen, waren het niet de lage prijzen van polyester die de opkomst van fast fashion in de jaren 90 en 2000 mogelijk maakten: tot 2010 lagen de prijzen in dezelfde lijn als die van katoen.
Maar fast fashion had nooit zo groot kunnen worden als er niet zoveel polyester op de markt beschikbaar was geweest. Vandaag is synthetisch materiaal goed voor 64% van de textielmaterialen. Als fast fashion het zonder zou moeten stellen – en het bijvoorbeeld zou vervangen door katoen – dan zou er hoogstwaarschijnlijk niet genoeg natuurlijk materiaal zijn om dit productieniveau vol te houden: daarvoor zou je bijna 7% van onze landbouwgrond moeten inzetten (tegenover 2,5% vandaag), oftewel evenveel als voor de teelt van alle groenten en fruit op aarde. Moeilijk voor te stellen in een tijd van afnemende bodemvruchtbaarheid en klimaatcrisis.
Met andere woorden: het was misschien niet polyester dat aan de basis lag van de opkomst van fast fashion, maar het is wél polyester dat vandaag het bestaansrecht geeft. Het is de brandstof die de motor van deze snelle mode draaiende houdt, de noodzakelijke voorwaarde om steeds meer kleding te produceren.
En je kunt niet over polyester praten zonder het te hebben over ultra fast fashion. Shein, het nieuwe kolos van de wereldwijde mode, maakt 85% van zijn kleding van polyester. Dat dit Chinese merk enkele jaren geleden kon opkomen, is ook te danken aan de recente daling van de polyesterprijzen, die samenhangt met de dalende koers van de belangrijkste grondstof (ethyleen) als gevolg van de schaliegaswinning in de Verenigde Staten. Zonder schaliegas en zonder spotgoedkoop polyester had deze ultra fast fashion misschien wel nooit kunnen bestaan.
Geen schaliegas, geen Shein.
Ten slotte heeft het derde probleem met polyester niets te maken met de productie… maar met wat ermee gebeurt daarna.
3/ Polyester en microplastics
Om nog even terug te komen op onze beroemde Higg-index: we hadden je nog niet alles verteld (niet gek dat het gebruik ervan on hold werd gezet). De index is gebaseerd op een levenscyclusanalyse die “cradle-to-gate” heet, dus “van wieg tot fabriekspoort”: de gebruiksfase en het einde van de levensduur van de producten worden dus niet meegenomen. Voor polyester leveren juist deze twee fases grote problemen op.
Ten eerste, wanneer je ze wast of wanneer je ze draagt, laten polyester kledingstukken miljoenen microplastics vrij die zich verspreiden in het milieu6. De gevolgen van deze microvezels zijn nog onzeker, maar mogelijk zeer gevaarlijk voor de biodiversiteit, de menselijke gezondheid… en zelfs voor de opwarming van de aarde.
Daarnaast is ook het einde van de levensduur van polyester kleding niet erg fraai. Als niemand het nog wil, zijn er maar twee opties:
Ofwel worden de kledingstukken verbrand, waarbij broeikasgassen vrijkomen. Omdat polyester van aardolie wordt gemaakt, is dat nog vervelender dan het verbranden van een kledingstuk van katoen (het verbranden van olie stoot CO2 uit dat miljoenen jaren begraven lag, terwijl de koolstofcyclus van katoen veel korter is7 : tijdens het groeien nemen katoenplanten CO2 op). En dan hebben we het nog niet over mogelijk giftige rook, met name door antimoon, een kankerverwekkende stof die in polyester zit en die je kunt terugvinden in de as van verbrandingsovens.
Ofwel belanden de kledingstukken op een stortplaats of in de natuur, vooral in Afrika, dat meer dan de helft van onze gedragen kleding ontvangt. En het probleem is dat plastic, in tegenstelling tot katoen of wol, niet biologisch afbreekbaar is in het milieu. Onvermijdelijk zullen deze polyester kledingstukken eeuw na eeuw uiteenvallen tot miljarden en miljarden microplastics (in tegenstelling tot wat je zou denken, komt het overgrote deel van de polyester microvezels die in het milieu terechtkomen van het einde van de levensduur, niet van onze wasmachines). Zoals onderzoekster Nathalie Gontard uitlegt, vormen plastics op stortplaatsen een gigantische tijdbom voor de komende eeuwen.
Textielstortplaats in Nairobi, foto uit het uitstekende rapport Trashion (klik hier om het te bekijken).
Kortom: kiezen tussen de pest en de cholera.
Al deze problemen met polyester voelen fast fashion-merken feilloos aan: niet goed voor hun reputatie… en uiteindelijk niet goed voor de zaken.
Dus vonden ze een magische oplossing. Wij noemen hem:
Hoofdstuk 2 – Wat er mis is met gerecycled polyester
Een kleine kanttekening voordat we tot de kern komen. We willen geen oordeel vellen over de kleine en middelgrote merken die vandaag gerecycled polyester gebruiken. De keuze van materialen is een uiterst complex onderwerp en er bestaat zoveel desinformatie over dat we er allemaal wel eens intrappen… Wijzelf voorop: bij Loom legden we vol trots uit waarom we gerecycled polyester gebruikten, bijvoorbeeld in ons badpak. Hier helder in zien, is bijna een fulltime baan! En natuurlijk is het ook heel lastig voor een « ethisch » merk om geen materiaal te gebruiken dat er duurzaam uitziet en dat zelfs fast fashion volop gebruikt! Wat zouden de klanten daarvan denken?
Recycling spreekt tot een heel sterke verbeelding. Bij dat woord denk je al snel aan de magische kringloop van de natuur: dode planten breken af in de bodem en hup, de voedingsstoffen die daarbij vrijkomen laten een nieuwe plant groeien. Niets gaat verloren, niets wordt gecreëerd, alles verandert van vorm.
Hoe ons brein zich recycling voorstelt:zo magisch dat je er zo een stukje soundtrack van De Leeuwenkoning bij zou meezingen:“It’s the Ciiiiiircle of life”.
Een recente reportage die werd opgenomen in een Primark-winkel, liet de volle marketingkracht van gerecyclede materialen zien. Een klant die aan de kassa werd geïnterviewd, legt uit:
“Ze zeggen dat het gerecycled katoen is, dus dan is het dubbel de moeite waard. Ik heb minder spijt van mijn aankoop, want ik denk dan: dit is goed voor de planeet.”
Bovendien is gerecycled polyester nauwelijks duurder dan maagdelijk polyester8. Het is dus het perfecte materiaal voor merken: het oogt duurzaam, het verkoopt goed omdat het consumenten een schuldeloos gevoel geeft, en het is niet peperduur.
Dus logisch dat bijna alle fast fashion-merken zijn overgestapt: vandaag wordt 8% van de kleding die wereldwijd wordt verkocht, gemaakt met gerecycled polyester. Oftewel 10 miljard kledingstukken die elk jaar worden verkocht.
Dank je wel, gerecycled polyester: dankzij jou kunnen merken miljarden schattige kleine labeltjes ophangen als ultiem bewijs dat ze “duurzaam” zijn geworden.
Als we je zeggen dat gerecycled polyester niet duur is…
Vandaag is maagdelijk polyester nog altijd overwegend de basis van fast fashion. Maar morgen zou dat weleens gerecycled polyester kunnen zijn.
Volgens een rapport van de ngo Changing Markets Foundation, die 46 grote merken benaderde om hun strategie rond synthetische materialen in kaart te brengen, is gerecycled polyester “hun belangrijkste strategie om hun koolstofvoetafdruk te verkleinen”.
Maar is dat wel de juiste strategie?
Absoluut niet.
Ten eerste staat industriële recycling behoorlijk ver af van de “magische kringloop van de natuur” waar we het hierboven over hadden. Het bespaart je weliswaar het winnen en raffineren van olie. Maar er komt ook heel wat machinerie bij kijken: transport, sorteren, wassen, vermalen, smelten, extrusie om er een filament van te maken… en al die apparatuur heeft energie en materialen nodig. Als we teruggrijpen naar de beroemde Higg-index, die je onmogelijk kunt verdenken van een anti-polyesteragenda, dan ligt de koolstofimpact van een zeer efficiënt gerecycled polyester (van het bedrijf Repreve) slechts 42% lager dan het niet-gerecyclede equivalent.
Het lijken wel kleine hemelbedjes, maar het zijn machines voor de extrusie van polyester… ook het gerecyclede soort.
42%, dat is toch best veel, niet? Behalve dat je voor een kledingstuk van gerecycled polyester daarna nog door alle gebruikelijke stappen heen moet: spinnen, weven of breien, verven, confectie, distributie… En omdat de grondstof slechts ongeveer 30% van de uiteindelijke voetafdruk uitmaakt, is de koolstofimpact van een kledingstuk met heel goed gerecycled polyester maar 13% lager dan het equivalent in maagdelijk polyester9. Oké, dat is alvast iets… maar deze grootteorde laat zien dat het moeilijk is om te zeggen dat dit kledingstuk “goed is voor de planeet”, om de woorden van de Primark-klant uit de reportage over te nemen.
Maar het houdt hier niet op.
Ten eerste is gerecycled polyester chemisch gezien exact hetzelfde als klassiek polyester. Voor de gebruiksfase en het einde van de levensduur gelden dus dezelfde problemen als bij maagdelijk polyester: het vrijkomen van miljoenen plastic microvezels in de natuur en/of de uitstoot van broeikasgassen en giftige rook bij verbranding.
En wat misschien wel het grootste probleem is: dit gerecyclede polyester komt niet van andere polyester kledingstukken. Niemand beschikt vandaag over de technische middelen om polyester kleding op grote schaal te recyclen, onder meer omdat polyester vaak gemengd is met andere materialen (zoals katoen of elastaan) en veel onzuiverheden bevat (te beginnen met de verfstof).
Eigenlijk komt 99% van het gerecyclede polyester uit een bron die veel makkelijker industrieel te benutten is: PET-plastic flessen, die toevallig uit dezelfde chemische moleculen bestaan als polyester. Om je een idee te geven: met 13 plastic flessen maak je genoeg garen voor een t-shirt.
Zeldzame afbeelding van een Primark-t-shirt, collectie 2028.
“Maar het is toch beter dat die plastic flessen polyester garen worden dan dat ze op stranden of in openluchtstortplaatsen belanden, of niet?”
Uitstekende vraag, Jean-Michel.
Wanneer fast fashion-merken uitleggen dat gerecycled polyester van plastic flessen komt, houden ze vaak de illusie in stand dat ze voorkomen dat plastic flessen het milieu vervuilen. De belangrijkste leverancier van gerecycled polyestergaren (Unifi) legt trouwens op zijn website uit: “we hebben dit garen ontwikkeld om een duurzamere wereld te creëren, waarin we miljarden plastic flessen ervan weerhouden om in stortplaatsen of oceanen te belanden”.
Ontroerend… maar de waarheid is heel anders.
Als deze flessen niet waren gebruikt om polyester te maken, hadden ze in werkelijkheid gediend om… nieuwe plastic flessen te maken. De realiteit is dat de textielindustrie plastic flessen die meerdere keren recyclebaar zijn, wegkaapt om er kleding van te maken die zelf niet op grote schaal recyclebaar is.
De flessenindustrie is trouwens erg boos op de textielindustrie, die het merendeel van haar flessen inpikt om er “gerecycled” polyester van te maken10. Doordat de textielindustrie zoveel flessen wegkaapt, kan de flessenindustrie haar eigen recyclingdoelstellingenniet halen. Ze eist dan ook voorrang op toegang tot haar eigen flessen, vóór andere sectoren. Nicholas Hodac, directeur van de Europese frisdrankenvereniging, verklaarde onlangs : “Het gebruik van andermans materiaal – zoals de textielindustrie doet met PET-flessen – is geen circulariteit. […] Dat is decycling.” De flessensector probeert de laatste maanden zelfs een eigen inzamelinfrastructuur op straat op te zetten om zoveel mogelijk flessen zelf te kunnen recupereren en te voorkomen dat ze in de textielsector belanden. Zelfs de Europese Unie heeft dit onlangs bevestigd in haar recente strategie voor duurzame textiel : “Een dergelijke praktijk is niet in lijn met het circulaire model van plastic flessen”. Een Europese richtlijn zal trouwens vanaf 2025 een minimumaandeel van 25% gerecycled plastic in flessen verplichten.
Beeld uit de campagne “Geef ons onze flessen terug”: de flessensector is boos.
Kortom, misschien kan de textielindustrie op een dag niet langer bij deze voorraad flessen om ze tot kleding te « recyclen »… Nog een bewijs dat dit gerecyclede polyester op basis van flessen geen wondermiddel is voor het milieuprobleem van textiel. Integendeel, het werkt eerder als een rookgordijn dat het bewustwordingsproces vertraagt… en ons afleidt van de echte oplossingen.
Wat zijn die dan wel? Hoe zorgen we voor een textielindustrie die de wereld kan kleden zonder haar tegelijk te vernietigen?
Hoofdstuk 3 – De oplossing: minder
Zou een gesloten kringloop-recycling van polyester, met polyester afkomstig van oude kleding, een optie kunnen zijn?
Voorlopig komt dit nauwelijks voor: vandaag wordt slechts 0,18% van de kleding gemaakt van materialen die gerecycled zijn uit andere kleding. En volgens een rapport van de ngo Changing Markets Foundation uit 2021 had geen van de 46 grote merken die werden ondervraagd, het doel om gesloten kringloop-recycling te ontwikkelen.
Toch bestaan er inmiddels een aantal veelbelovende projecten van dit type. En met enige Franse trots: Frankrijk staat er op dit gebied niet slecht voor. Het bedrijf Carbios beweert 90% van het polyester in kleding te kunnen recyclen dankzij een zogenaamde “enzymatische” methode en bouwt op dit moment een proeffabriek in de Meurthe-et-Moselle, in het noordoosten van Frankrijk. En het Amerikaanse Eastman gaat een miljard dollar investeren om tegen 2025 's werelds grootste fabriek voor “chemische” recycling van polyester te bouwen bij Le Havre (die vooral PET-verpakkingen zal verwerken, maar naar eigen zeggen ook textielpolyester kan recyclen).
De recyclingfabriek van Eastman in Tennesseedie binnenkort net als bij Le Havre een chemische recyclinginstallatie zal huisvesten(binnenkort dragen we allemaal iets “van” Tennessee).
Maar zou deze gesloten kringloop-recycling van polyester genoeg zijn om de textielindustrie duurzamer te maken?
Helaas niet.
Ten eerste bestaat er nog veel onzekerheid over de mate waarin deze projecten textiel op grote schaal kunnen recyclen, zowel qua kosten als energieverbruik. Zo leert het openbaar onderzoek van de gigafabriek van Eastman ons dat het bedrijf hoopt minder dan 3% van de volumes die in Frankrijk op de markt komen te recyclen10. Maar vooral is dit een vrij theoretische doelstelling, aangezien Eastman zelf toegeeft dat “de zuiverheid en het ontwerp van textiel een uitdaging vormen” en in eerste instantie zou mikken op… “100% polyester veiligheidsgordels”. We zijn nog ver verwijderd van het recyclen van Shein-t-shirts of H&M-jurken.
Maar laten we ons even een ideale wereld voorstellen waarin de recycling van polyester bijna perfect is. Stel dat:
de helft van het textielpolyester afkomstig is van andere polyester kledingstukken (ter herinnering: dat is vandaag minder dan 1%)
chemische of enzymatische recycling ultra-efficiënt is en de klimaatimpact van gerecycled polyester 70% lager ligt dan die van maagdelijk polyester (wat heel, heel optimistisch is)11
Onder deze ideale omstandigheden, en aangezien de grondstof slechts 30% van de impact uitmaakt (ten opzichte van de fabricage van het kledingstuk zelf), zou de vermindering van de klimaatimpact voor de volledige productie van polyester kleding dan… 10% bedragen13.
Met andere woorden: zelfs als we de technologische en industriële krachttoer zouden leveren om wereldwijd fabrieken voor kledingpolyesterrecycling uit te rollen, zou dat qua klimaatimpact hetzelfde effect hebben als het één jaar lang stabiel houden van de groei van polyester kleding. Dit is precies waarom gerecycled polyester een rookgordijn is: het woord « gerecycled » geeft ons de illusie dat we het vervuilingsprobleem van de textielindustrie oplossen, terwijl we totaal niet aan de juiste grootteordes zitten.
Kortom: als gesloten kringloop-recycling niet gepaard gaat met een drastische vermindering van de consumptie van polyester kleding, is het gewoon een druppel op een gloeiende plaat.
Het is dan ook tijd om de goeie ouwe regel van de drie R's in herinnering te brengen: om de ecologische impact van kleding te verminderen, moet je vóór recycling eerst hergebruiken, en nog beter: minder consumeren.
De piramide van de 3 R's: recycling, ja, maar alleen als laatste redmiddel.
Maar hoe pak je dat concreet aan?
Eerst: hergebruik.
De meeste van onze kledingstukken kunnen een tweede leven krijgen, op voorwaarde dat je ze goed onderhoudt en zoveel mogelijk repareert. Ben je bang voor naalden (om te naaien), dan staan duizenden verstelateliers in het hele land klaar voor je kleding.
Maar er bestaat nog een andere vorm van hergebruik, ergens tussen recycling en upcycling in, waar we misschien binnenkort op kunnen rekenen: fabrieken die onze oude kleding automatisch sorteren op samenstelling en kleur, en ze vervolgens rafelen tot garens die niet opnieuw geverfd hoeven te worden (waardoor de energie-intensieve verffase wordt overgeslagen). Dat is het CETI-project, een textielonderzoekscentrum in de buurt van Lille, in samenwerking met verschillende Franse fabrieken. De garens die dit oplevert, zijn voorlopig weliswaar minder perfect dan garens van maagdelijk materiaal, maar het initiatief verdient steun.
Ten slotte (en vooral): minder consumeren! Om de ecologische impact van mode te verminderen, heeft iedereen een rol te spelen.
Wat wij als merk kunnen doen:
Polyester is goed voor de helft van alle textielvezels wereldwijd, en dat aandeel groeit elk jaar. Het is natuurlijk handig voor sportkleding die snel droogt… maar hebben we het echt nodig voor jurken of t-shirts? Idealiter gebruik je synthetische materialen zo weinig mogelijk, en alleen als er echt geen alternatief is.
Voor kleding waarvoor synthetische materialen echt nodig zijn, kun je gerecycled polyester blijven gebruiken (dat toch een klein beetje minder erg is dan de maagdelijke versie). Maar je mag de grootteordes niet vergeten en moet dus vermijden om de vermeende voordelen van dit materiaal in de verf te zetten: door een halo-effect zouden klanten kunnen denken dat dit kledingstuk « goed is voor de planeet ».
Focussen op wat echt telt: niet produceren aan de andere kant van de wereld, je collecties niet om de 2 dagen vernieuwen, enzovoort.
Wat de overheid kan doen:
De flessensector voorrang geven op toegang tot haar eigen plastic, zoals veel ngo's vragen. Als de textielindustrie geen toegang meer heeft tot gerecycled polyester uit flessen, kan ze zich niet langer achter deze oplossing verschuilen en wordt ze gedwongen zich echte vragen te stellen over het verminderen van haar ecologische impact.
Maagdelijk polyester (en alle andere materialen van fossiele oorsprong) benadelen in toekomstige regelgeving, met name in de milieulabel die binnenkort in Frankrijk en later in Europa wordt ingevoerd. Dat is verre van gewonnen, want de Europese milieulabel wordt gecoördineerd door de organisatie achter de Higg-index, diezelfde organisatie die polyester beschouwt als een van de meest ecologische materialen op de markt.
De commerciële praktijken van fast fashion aanpakken, die steeds meer overconsumptie veroorzaken. Samen met honderden andere merken is dat waar we voor strijden via de coalitie En Mode Climat.
Geef de voorkeur aan natuurlijke materialen, vooral als ze afkomstig zijn van verantwoorde en/of lokale landbouw: in heel veel gevallen kun je makkelijk zonder polyester of andere synthetische materialen. En voor kleding die je op je blote huid draagt, zijn ze altijd te verkiezen boven polyester, omdat ze geurtjes beter weerstaan (ondergoed, t-shirts, overhemden, enzovoort).
We willen allemaal graag geloven dat de oplossing voor de klimaatcrisis in een simpele technische uitvinding ligt: een gigantische CO2-stofzuiger om fossiele brandstoffen te kunnen blijven verbranden, waterstofvliegtuigen om weekendjes New York te kunnen blijven maken… en gerecycled polyester om steeds meer kleding te kunnen blijven kopen. De echte oplossingen voor het textielprobleem zijn tegelijk simpeler én moeilijker te verteren voor de kledinggiganten: zij moeten eerst en vooral stoppen met steeds meer verkopen. En voor jou betekent dat: minder kleding kopen en zuinig zijn op wat je al hebt. De ecologische strijd begint misschien wel voor onze wasmachine…
En synthetische materialen bij Loom? We proberen zoveel mogelijk natuurlijke materialen te gebruiken, maar soms verwerken we een klein beetje synthetisch materiaal, als dat de levensduur van onze kleding aanzienlijk kan verlengen. Elastaan: we verwerken een klein beetje elastaan in onze katoenen broeken, ons ondergoed en de boorden van onze katoenen truien en sweaters, om vervorming in de tijd te beperken. Polyamide: we gebruiken polyamide om onze sokken, ons merino-t-shirt en onze rugzak te versterken. Polyester: we gebruiken polyester in ons badpak (omdat we niet weten waarmee we het zouden kunnen vervangen), een klein beetje in onze joggingbroek (om vervorming te beperken) en in onze chino, in de vorm van elastomultiester (om uitzakken te beperken).
Wie zijn wij om dat te zeggen? Je bent op La Mode à l’Envers, een blog van het kledingmerk Loom. Het gaat niet best met de textielindustrie, en de planeet betaalt het gelag. Dus alles wat we over de branche te weten komen, proberen we je hier uit te leggen. Want duurzame kleding maken is goed, maar dingen blootleggen, delen en anderen inspireren heeft nog veel meer impact. We maken nooit reclame: vind je wat we schrijven leuk en wil je meer? Klik dan hier om je in te schrijven voor onze nieuwsbrief. Beloofd: we mailen je hooguit één keer per maand.
Voetnoten
1 In Frankrijk laat textiel dat aan het einde van zijn levensduur wordt ingezameld, een lager aandeel polyester zien (slechts 19%). Volgens Refashion zijn er twee belangrijke redenen die dit verschil kunnen verklaren: « de wereldwijde textielproductie is niet uitsluitend bestemd voor kleding (denk aan een veelheid aan technische toepassingen, bijvoorbeeld in de bouw of bij sportartikelen, die veel synthetisch textiel opslokken); en synthetische kleding wordt mogelijk minder ingezameld omdat ze minder snel verslijt of als minder waardevol wordt beschouwd (en dus bij het gewone afval wordt gegooid) ».
2 Katoen zorgt weliswaar voor iets meer verlies tijdens het spinnen door onzuiverheden en te korte vezels, maar het verschil in verlies met polyester bedraagt ongeveer 8%, wat neerkomt op een impact van minder dan 1% op de prijs van het kledingstuk. Onvoldoende om de explosieve groei van het polyestergebruik te verklaren.
3 Niet in alle gevallen: katoen is beter geschikt voor kleding die dicht op de huid zit, zoals t-shirts en ondergoed, of voor kleding die je liever niet glanzend wilt, zoals overhemden of jeans, enzovoort. En dan hebben we het nog niet over andere natuurlijke materialen, zoals wol, dat beter geschikt is voor warme kleding.
5 Hengli is weliswaar een beetje een uitzondering. Meestal zijn het de klassieke raffinaderijen die de nafta doorverkopen aan polyesterfabrieken: polyester is dus in de eerste plaats een bijproduct van benzine (en niet omgekeerd).
6 Hetzelfde geldt voor cellulosevezels zoals katoen, maar katoenvezels zijn makkelijker biologisch afbreekbaar in het milieu (in de grond, al is dat niet per se het geval in de oceaan, waar onderzoek lijkt aan te tonen dat geverfde katoenvezels weinig biologisch afbreekbaar zijn).
7 Dat betekent ook niet dat de energie uit de verbranding van katoenen kleding als hernieuwbaar moet worden beschouwd: bij de productie ervan is immers ook veel energie gebruikt.
8 De prijs van gerecyclede polyestergranulaten ligt zelfs lager dan die van maagdelijke granulaten. Maar merken die gerecycled polyester gebruiken, lieten ons weten dat de aankoopprijs toch iets hoger ligt, waarschijnlijk door de lagere productievolumes ten opzichte van maagdelijk polyester en dus minder schaalvoordelen.
11 Het openbaar onderzoek spreekt over « 20.000 ton textielafval tegen 2028 ».
12 Er bestaan nog weinig levenscyclusanalyses van « fiber-to-fiber » polyester… Maar bijvoorbeeld, de eerste studies over enzymatische recycling, zoals deze, laten een slechtere ecologische balans zien dan voor maagdelijk polyester. Dit overzicht over chemische recycling is evenmin erg bemoedigend.
13 Milieuwinst = % gerecyclede kleding * % toe te wijzen aan grondstoffen * klimaatwinst van recycling = 50% * 30% * 70% = 10%
Je hoeft niet de meest bizarre vlekkenzepen in huis te hebben (gal van wat?) of je spaarpot te breken voor de duurste wasmachine van de markt. Er is maar één ding dat je moet doen:
Ja. Overal waar je bent. Ook al betekent dat soms dat je de rest van je etentje drijfnat doorbrengt, vanwege een wijnvlek.
Om de skeptici onder jullie te overtuigen
Ik heb 4 stukken katoen, genummerd van 1 tot 4, vervuild met de 3 soorten vlekken die er bestaan: vetvlekken (olijfolie), enzymvlekken (gesmolten pure chocolade) en oxidatievlekken (rode wijn), om de volgende twee vragen te beantwoorden:
Is het echt zo erg om een paar dagen te wachten voordat je een bevlekt kledingstuk wast?
Moet je de vlek met zeep inwrijven voordat je het kledingstuk in de wasmachine stopt?
Daarvoor heb ik mijn 4 stukken stof elk anders gewassen:
Stof nr. 1 werd niet ingezeept, maar wel binnen het uur na de vlek in de wasmachine gewassen
Stof nr. 2 werd meteen ingezeept en daarna binnen het uur gewassen
Stof nr. 3 werd niet ingezeept en pas 7 dagen na de vlek gewassen. Waarom 7 dagen? Omdat ik maar één keer per week de was doe, dus het kan gebeuren dat een bevlekt kledingstuk 7 dagen in mijn wasmand ligt te wachten (ook al is dat een bijzonder slecht idee, hoor)
Stof nr. 4 werd meteen ingezeept en pas 7 dagen later gewassen
En dit is het resultaat na het wassen in de machine en drogen aan de lucht:
De conclusie is glashelder: stof nr. 2 is bijna vlekkeloos. Dus mijn beste advies als je met een vlek te maken hebt: zeep meteen in en was het zo snel mogelijk.
Kun je niet meteen wassen, zeep de vlek dan toch meteen in: de twee ingezeepte stoffen (nr. 2 en nr. 4) kwamen schoner uit de wasmachine dan de andere twee (je zult me op mijn woord moeten geloven, want op de foto is het niet heel duidelijk). En kun je het wél meteen wassen, doe dat dan ook: de twee stoffen die pas 7 dagen na de vlek gewassen werden (nr. 3 en nr. 4) zijn minder goed schoongekomen dan de andere twee. Dat is vooral zichtbaar bij oxidatievlekken (de wijnvlekken onderaan) en bij enzymvlekken, omdat de chocolade de stof heeft aangetast tijdens het beschimmelen (bah).
Welke zeep gebruik je?
Om je zo goed mogelijk te adviseren in mijn onderhoudsartikelen, zoek ik regelmatig uit wat de trends zijn op het gebied van onderhoud (of soms de grove oplichterij) en voeg ik producten toe aan mijn lange lijst met dingen om te testen. Bovendien zitten de reacties vol pareltjes, zoals deze over een vlekkenzeep:
Je zonen kunnen hun onderbroeken heus zelf wel ontvlekken, Valérie.
Zoals ik hierboven al zei, heb ik geen verschil in effectiviteit gemerkt tussen de verschillende zepen die ik getest heb, of het nu gaat om “speciale vlekkenzepen” (zoals zeep met ossengal of zeep op basis van Sommières-aarde) of om hartstikke basic zepen die je voor een prikkie in de supermarkt vindt.
Dus als je toch zeep koopt, kies dan liever voor lokaal gemaakte zeep. Wij hebben het geluk dat er in Frankrijk nog zeepmakerijen zijn die zeep op ambachtelijke wijze produceren, zoals bijvoorbeeld zeepmakerij Fer à Cheval in Marseille (we verkopen trouwens een van hun zepen op de website van Loom). Ze worden in de ketel gemaakt van olijfperskoekolie: dat is de tweede persing van de olijven, want de eerste levert de olijfolie voor consumptie op. Maar eigenlijk doet ook elk klein restje oude zeep het prima ZOLANG JE JE VLEKKEN METEEN INZEEPT VOORDAT JE ZE IN DE WASMACHINE WAST.
PS: voor vetvlekken werkt afwasmiddel ook uitstekend. Zorg wel dat je een transparante variant gebruikt, zodat de plek niet gaat verkleuren.
Wie ben ik om jou over kledingonderhoud te vertellen? Ik heet Claire en ik ben verantwoordelijk voor het opvolgen van de productie bij Loom. Kortom, ik probeer te voorkomen dat producten op onze site uitverkocht raken (oké, dat is nog niet helemaal gelukt, maar ik werk eraan) en ik zorg er tijdens elke fabricagestap voor dat de kleding voldoet aan onze kwaliteitseisen. Daarnaast ben ik gepassioneerd door alles wat de levensduur van onze kleding kan verlengen: onderhoud, reparatie en andere huis-, tuin- en keukentrucjes. Ik geef kleding graag een “beetje extra ziel”, werk ze om, herstel ze, geef ze een nieuwe kans wanneer niemand ze nog wil. Op deze pagina's probeer ik met je te delen wat ik weet en wat jou van pas kan komen. Nog één ding: alle tips die je op deze site vindt, heb ik echt zelf getest en persoonlijk gecontroleerd of ze werken (met andere woorden, dit is geen knip-en-plakwerk van dingen die ik op internet vond). Heb je nieuwe tips voor mij? Laat gerust een reactie achter onder dit artikel.
De kleermot, vroeger ook wel "kledingteigne" genoemd (EN DAT IS EEN BIJNAAM DIE ZE VOLLEDIG VERDIENT), is een nachtvlinder waarvan de larven zich voeden met keratine. In het ecosysteem is het normaal gesproken hun taak om de langzaamst afbrekende onderdelen van kadavers af te breken: huid, vacht, klauwen, hoorns, hoeven… We zijn dus best dankbaar voor deze uiterst nuttige kleine larfjes, maar we zouden het liever zien dat ze onze wollen truien met rust laten.
Voordat je je winterkleren opbergt, moet je er dus zeker van zijn dat er geen mot haar intrek heeft genomen in je kast. Hier zijn een paar aanwijzingen om het zeker te weten:
In je kast: - terwijl je in je kledingkast rommelt, of je truien uitschudt, vliegen er kleine zilverkleurige vlindertjes op (een kleermot is iets minder dan 1 cm lang), - je hebt in de hoekjes van je kast witte, wattig ogende cocons gevonden (spoiler: dat zijn mottencocons),
Op je kleding: - je hebt vrij herkenbare gaten opgemerkt: het lijkt alsof er een steek is losgetrokken, maar zonder dat er draadjes uit het gat steken, - een van je truien heeft meerdere gaten op dezelfde plek, - de gaten zijn onregelmatig en niet erg groot (ongeveer 0,5 cm doorsnede) en verschijnen op dierlijke materialen, vooral op wol of zijde.
De experts zijn stellig: hier is een mot langsgekomen.
Heb je op een van deze punten "ja" geantwoord, raap dan al je moed bij elkaar en volg de gids:
Hoe kom je van kleermotten af
Of preciezer: hoe kom je van mottenlarven af, want zoals we hierboven al uitlegden, zijn het de larven die zich voeden met keratine en de gaten in je truien maken. Volwassen motten eten zelf niet: ze hebben een levensverwachting van een dagje of tien, waarin hun enige doel is een geschikte plek te vinden om eitjes te leggen. #mumlife #proudmama
Mottenlarven zijn bang voor beweging, en hun overlevingsinstinct kan ze ertoe brengen zich te verstoppen in eender welk kledingstuk of hoekje (ook al eten ze in finealleen dierlijke materialen). Ik raad je dus aan om alle kleding in de buurt van je aangevreten wollen kledingstukken te behandelen, evenals je kast, om zeker te zijn dat je alle larven kwijtraakt. Zo pak je dat aan:
Voor kwetsbare kledingstukken of wol: leg ze 72 uur in de vriezer en was ze daarna op een wolprogramma op 30°C — de kou en het water zouden ze moeten doden,
Voor kleding die dit verdraagt (zoals katoenen kleding bijvoorbeeld), was je op 60°C en droog je in de droger, of strijk je ze — de hitte maakt een einde aan hun kwaadaardige plannen,
Stofzuig je kast van boven tot onder, met extra aandacht voor de hoekjes, om de mottencocons te verwijderen,
Strooi wat diatomeeënaarde in de hoeken van je kast om de larven te doden die zich daar verstoppen en die je niet had kunnen opzuigen. Het is een algenpoeder dat je in de supermarkt vindt en dat als mechanisch insecticide werkt. Zuig het na een week weer op, want het kan op de lange termijn irriterend zijn, en lees uiteraard de contra-indicaties op de achterkant van de verpakking,
Om helemaal zeker te zijn dat je er vanaf bent, kun je aanvullend gebruikmaken van mottenvallen die zijn doordrenkt met feromonen die de resterende mannelijke motten aantrekken, die er dan aan blijven plakken: dat zou dus een einde moeten maken aan de voortplanting van deze kleine beestjes.
Geen mot zal je kunnen weerstaan.
Als je dit allemaal hebt gedaan, kun je je kleding met een gerust hart weer in de kast opbergen. Maar juich niet te vroeg: nu moet je er nog voor zorgen dat de motten niet terugkomen.
Hoe voorkom je dat motten zich bij jou vestigen
Om motten uit je kledingkast te houden, zijn er een paar dingen die je moet weten:
Om te beginnen: motten houden van duisternis en hebben een hekel aan beweging — ja, dat zei ik al, maar het is zo belangrijk dat ik het nog eens herhaal. Vermijd het dus om truien jarenlang ongebruikt in een kast te laten liggen. Draag ze vaak en vermijd het kopen van truien die je eigenlijk niet nodig hebt.
Deze beestjes zijn dol op lichaamsgeurtjes. Lucht je trui aan het einde van de dag goed uit nadat je hem hebt gedragen, bijvoorbeeld over de rugleuning van een stoel.
Stop een stukje cederhout tussen je stapel truien om motten op afstand te houden. Doe er elke drie maanden een druppeltje cederhoutetherische olie op, zodat het zijn geur (en dus zijn werking) niet verliest.
Waarom cederhout het beste anti-motmiddel is
Om deze kastvernietigende beestjes op afstand te houden, gebruikte men vroeger mottenballen van naftaleen, totdat bleek dat deze irriterend zijn voor de huid, de slijmvliezen van de ogen en de luchtwegen bij mensen (vooral bij kinderen), waarna de verkoop ervan in 2008 werd verboden.
Zonder naftaleen moet je terugvallen op het bekendste natuurlijke afweermiddel tegen kleermotten: cederhout, dat verschillende soorten larvendodende alcoholen bevat (zo beschermt de ceder zichzelf immers tegen insecten die hem zouden kunnen opvreten). Al in 1682 vind je geschriften die aanraden om wollen kledingstukken te bewaren in kasten van cederhout. Een volksgeloof dat in 1952 wetenschappelijk werd bevestigd, dankzij de onderzoekers Huddle en Mills met een niet mis te verstane conclusie: "Larven die werden blootgesteld aan 0,6 mg/l cederhoutolie-damp hadden een sterfte van 91% binnen een week. Een andere groep larven die werd blootgesteld aan 1-2 mg/l cederhoutolie-damp had een sterfte van 100% binnen 8 tot 24 uur na blootstelling. [...] ". Mooi zo!
Je vindt cederhouten anti-motstokjes in de meeste supermarkten, maar die worden meestal gemaakt van Noord-Amerikaans hout en vervolgens bewerkt in China — en het is toch zonde om dat soort producten te importeren als je in een land woont dat boordevol cederbossen zit (aka Frankrijk).
Bij Loom hebben we dus onze uiterste best gedaan en onze eigen 100% lokale anti-motkit ontwikkeld, in samenwerking met deze twee toffe bedrijven:
la Tabletterie des Lacs (in de Jura, in het oosten van Frankrijk) maakte voor ons schijfjes van cederhout uit lokale bossen, met een gaatje in het midden zodat je ze aan je kleerhangers kunt hangen of tussen je stapels truien kunt leggen.
Omdat de geur van cederhout na een paar maanden vervaagt, klopten we ook aan bij de Distillerie Bel Air (in de Gard, in het zuiden van Frankrijk), die op ambachtelijke wijze Franse cederhoutetherische olie produceert.
Hoe herstel je een kledingstuk met mottengaten?
Je bent eindelijk definitief van de kleermotten af, maar er blijven wat gaten in je steken achter als herinnering aan hun bezoek. Om te voorkomen dat deze gaten na verloop van tijd groter worden, raad ik je aan ze netjes te herstellen.
Optie 1 - Do it yourself
Gewapend met geduld, een naald en stopwol in de juiste kleur, zoals deze, volg je de instructies van deze video die stap voor stap uitlegt hoe je je truien met gaten stopt.
Er bestaan ook uitstekende, uitgebreidere cursussen om te leren hoe je kleding met gaten herstelt:
Je kunt je truien ook toevertrouwen aan ambachtslieden die hierin gespecialiseerd zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor Julie, de oprichtster van La Clinique du Pull die in Parijs gevestigd is, maar naar wie je je truien ook per post kunt opsturen. Ze tovert er wonderen mee, het bewijs in beeld:
Voor een onzichtbaar stopwerk, steek voor steek, zoals op de foto hierboven, betaal je zo'n tien euro per gat. Het resultaat is volledig onzichtbaar, maar als een mot een heus feestmaal van je trui heeft gemaakt, kan de rekening snel behoorlijk oplopen.
Heb je een kleiner budget, of zit je trui zo vol gaten dat hij op een wiel Emmental de Savoie I.G.P. lijkt, dan is er de optie "opvullen" ("tamponnage"), die eenvoudiger is dan de vorige: Julie knoopt alle door de mottenlarve opgevreten draden aan elkaar om te voorkomen dat het gat groter wordt, en bedekt de plek vervolgens met wolvilt om hem te verbergen en te verstevigen. Deze techniek kost een paar euro per te herstellen gat. Ikzelf koos voor een zichtbare afwerking met gekleurde wol, maar je kunt haar ook vragen om een toon-op-toon afwerking, als je niet op een lieveheersbeestje wilt lijken, bekeken door een kleurenblinde met een vergrootglas.
Big up voor La Clinique du Pull!
Zo, nu weet je zo ongeveer alles over motten, hun larven, Franse cederbossen en herstel door middel van tamponnage. Zorg goed voor je wollen truien en vooral: weg met die motten!
Wie ben ik om je iets te vertellen over het onderhoud van je kleding? Ik heet Claire en ik ben verantwoordelijk voor het opvolgen van de productie bij Loom. Ik probeer vooral te voorkomen dat producten op onze site uitverkocht raken (oké, dat is nog niet perfect, maar ik werk eraan) en ik zorg er bij elke stap van de productie voor dat de kleding aan onze kwaliteitseisen voldoet. Daarnaast ben ik gepassioneerd door alles wat de levensduur van onze kleding verlengt: onderhoud, reparatie en andere huis-, tuin- en keukentrucjes. Ik geef kleding graag een "extra vleugje ziel", werk ze om, herstel ze, geef ze een nieuwe kans wanneer niemand ze meer wil. Op deze pagina's probeer ik met je te delen wat ik weet en wat jou van pas kan komen. Nog één ding: alle trucjes die je op deze site vindt, heb ik echt zelf getest en persoonlijk gecontroleerd of ze werken (met andere woorden, het is geen copy-paste van wat ik ergens op internet vond). Heb je nieuwe tips voor me, laat dan gerust een reactie achter onder dit artikel.
23 mei 2022. We drukken op de knop die de nieuwsbrief verstuurt waarin we de lancering aankondigen van onze blauwe herenjeans. Op het eerste gezicht niets revolutionairs voor een kledingmerk. Behalve dat deze jeans een beetje bijzonder is: hij zou minder snel moeten doorslijten bij het kruis dan andere jeans. Om zover te komen, hebben we drie jaar lang gewerkt, samen met ons laboratorium een nieuwe slijtvastheidstest bedacht en uiteindelijk onze eigen stof ontwikkeld in de Vogezen. We nemen je mee in het verhaal.
Gaten bij het kruis, de kwaal van elke jeans
Voordat we aan de productie van onze jeans begonnen, stuurden we jullie een kleine vragenlijst: "Wat is over het algemeen het probleem met jullie jeans?" En op een simpele vraag kwam een simpel antwoord: het probleem is de gaten bij het kruis.
Dat kregen we wel 500 keer te horen.
En ja: als je loopt, wrijft je dij tegen de andere dij (of eigenlijk: tegen de onderkant van je bil), waardoor de stof van de jeans verzwakt en er uiteindelijk een gat in komt.
Om onze eigen jeans te maken, moesten we dus eerst begrijpen waarom sommige jeans sneller doorslijten dan andere. Onze eerste reflex: de honderden artikelen op internet doorspitten die gewijd zijn aan de "crotch blow out" (zo noemen ze een "gat bij het kruis" in het land van de jeans) en de oorzaak (of oorzaken?) ervan. Maar op de Amerikaanse sites en forums was niemand het erover eens: te dunne stof, de aanwezigheid van elastaan, katoen van slechte kwaliteit, een te strakke snit, te dikke stiksels, vocht door transpiratie…
De Amerikanen hebben ChatGPT uitgevonden, maar naar de oplossing voor gaten in jeans zijn ze nog steeds op zoek.
Maar hoe kom je dit dan te weten?
Op een dag hadden we een openbaring: de waarheid over gaten in jeans schuilt hoogstwaarschijnlijk… in chino's. Jazeker, onze Loom-chino verkopen we al sinds 2019 en van één ding zijn we zeker: bijna niemand heeft ons ooit gaten bij het kruis gemeld, en de zeldzame klanten bij wie dat wel gebeurde, fietsen of motorrijden intensief - kortom, onze chino's slijten niet door van het lopen.
Dat zal Taor (ons model dat de chino draagt) je niet tegenspreken.
De vraag was dus simpelweg: wat zijn de specifieke kenmerken van een jeans ten opzichte van een chino die het ontstaan van gaten bij het kruis zouden kunnen verklaren?
Op zoek naar de schuldige
Met deze vraag konden we de meeste hypotheses van die Amerikaanse sites uitsluiten:
Jeans slijten door omdat ze te dun zijn: nee, een chino is doorgaans dunner dan een jeans.
Jeans slijten door omdat ze te strak zitten bij de dijen: nee, bij het kruis hebben jeans en chino's ongeveer dezelfde snit.
Jeans slijten door externe factoren (vocht door transpiratie, spanning bij beweging…): nee, in principe doe je ongeveer hetzelfde met een jeans als met een chino.
Jeans slijten door omdat er elastaan in zit: nee, net als de meeste jeans bevatten de meeste chino's ook een klein percentage elastaan voor comfort.
Jeans slijten door omdat het katoen van slechte kwaliteit is: nee, er is geen enkele reden waarom de katoenvezels in jeans korter of van mindere kwaliteit zouden zijn dan die in chino's.
Jeans slijten door omdat hun garens van mindere kwaliteit zijn: nee, ook al is het waar dat in de jaren 70 een deel van de jeans werd geweven met zogenaamde "open-end"-garens (goedkoper en misschien minder bestand tegen slijtage), 95% van de jeans wordt tegenwoordig geweven met traditionele "ringspun"-garens, net als chino's.
Er bleven ons dus nog maar twee hypotheses over om te testen:
Hypothese nr. 1: de dubbele stiknaad. De binnenste stiknaad van de broekspijp van een jeans is dikker dan die van een chino – een dubbele naad die voor intensievere wrijving zou kunnen zorgen dan bij chino's.
Verdachte nr. 1: de dubbele stiknaad van de jeans, misschien schuldig ondanks haar onschuldige voorkomen.
Hypothese nr. 2: de ruwheid. De garens van jeans zijn dikker dan die van chino's: hun stof is dus ruwer. Als de ene dij tegen de andere wrijft, is het een beetje alsof er schuurpapier over de stof gaat.
Verdachte nr. 2: de ruwheid van denim (geen schuurpapier, maar het scheelt niet veel).
Onze labtests
Om onze hypotheses te testen, besloten we samen met ons laboratorium (SMT) de wrijving te simuleren met een zogenaamde "Martindale"-test: een machine wrijft over de stof totdat er een gat ontstaat. Het resultaat wordt uitgedrukt in aantal cycli: hoe hoger het aantal, hoe slijtvaster de stof.
Een Martindale-machine in actie.
Om te beginnen wilden we controleren of de Martindale-test wel goed simuleert wat er in het echte leven gebeurt: we testten dus een jeansstof en een chinostof, om te kijken of de jeans ook in het lab sneller doorslijt dan de chino.
Maar toen we de resultaten kregen, een verrassing: in het lab hield de jeans twee keer zo lang stand als de chino (100.000 vs. 50.000 cycli). Het tegenovergestelde van wat er in het echte leven gebeurt…
Dus dachten we twee seconden na (oké, eerder twee weken): deze Martindale-test kan onmogelijk simuleren wat er echt bij het kruis gebeurt, omdat hij hetzelfde standaardmateriaal gebruikt om tegen de stof te wrijven. Maar als je loopt, is het de stof die wrijft tegen zichzelf ! We belden ons lab en bedachten samen een ander soort test waarbij we de standaard "schuurwol" vervangen door de stof zelf. Na wat aanpassingen aan het juiste drukniveau kreeg deze test de mooie naam "Slijtvastheid van stoffen, aangepaste Martindale-methode stof tegen stof, druk 12 kPa".
Een paar dagen later kwamen de resultaten van de nieuwe test binnen:
Bingo! We hadden een labtest gevonden die goed simuleert wat er in het echte leven gebeurt: de chino is (minstens) drie keer beter bestand tegen wrijving dan de jeans: 100.000 vs. 35.000 cycli.
We konden dus verder naar de volgende stap: onze twee hypotheses testen om de oorzaak van deze vervelende gaten in jullie jeans te vinden.
Om de eerste hypothese te testen (de dubbele stiknaad van de jeans), vervingen we de gladde stof door stof met een naad op de Martindale-machine… Toen we de resultaten kregen, zagen we dat het niets veranderde: de naad verzwakt de stof niet. Onschuldig bevonden.
Geen gaten na 100.000 cycli.
Door eliminatie bleef er dus nog maar één mogelijke schuldige over: de ruwheid. Om deze hypothese te checken, lieten we verschillende soorten jeans testen: vrij gladde en vrij ruwe. En alle resultaten bevestigden dat hoe dikker en ruwer de jeans, hoe sneller hij doorslijt:
De dunste jeans die we konden vinden (merk Muji) is heel goed bestand: hij komt met gemak boven de 100.000 cycli uit.
Een vrij dikke raw denim jeans (merk Uniqlo) is niet erg bestand: 35.000 cycli. Maar als we de stof handmatig minder ruw maken met schuurpapier voordat we hem laten testen, houdt hij het veel langer vol en komt hij ook boven de 100.000 cycli uit!
Een vrij ruwe jeans, door het gebruik van "open-end"-garen, houdt het niet lang vol: slechts 16.000 cycli.
Een raw denim jeans en de gewassen (dus minder ruwe) variant ervan: de eerste houdt het 70.000 cycli vol, veel minder dan de tweede, die pas bij 100.000 cycli breekt.
Kortom, na maanden van testen (en enkele duizenden euro's uitgeven…), hadden we eindelijk de schuldige gevonden: de ruwheid. Precies het tegenovergestelde van wat je intuïtief zou denken: een dikke cowboyjeans loopt meer risico om sneller bij het kruis door te slijten dan een heel dunne jeans.
Als ze het hadden geweten, hadden alle cowboys yogabroeken gedragen.
En nu restte ons nog alleen onze eigen stof te ontwikkelen. We hadden twee opties.
Allerlei bestaande stoffen bij leveranciers testen en de beste kiezen.
Onze eigen stof ontwikkelen: onzekerder, langzamer, duurder… maar met de hoop een stof te maken die misschien beter presteert dan wat al bestaat!
Je raadt vast al wat we hebben gekozen, toch?
Op naar de Vogezen
Om een fabriek te vinden die zo'n ontwikkeling met ons wilde aangaan, moesten we vroeg opstaan. Het kost tijd, geld, en we zijn geen Levi's. In het begin hoopten we maximaal 10.000 meter stof per jaar te bestellen, ofwel iets meer dan 100.000€… Economisch niet erg interessant voor een fabrikant.
Toch heeft Tissage de France, de fabriek in de Vogezen die het denim maakt voor het merk 1083, meteen ingestemd om met ons aan dit project te werken. De deal: we delen de ontwikkelingskosten, en als het werkt, mag de fabriek alles wat we samen hebben geleerd hergebruiken in andere projecten met andere klanten (dat hadden we al met succes gedaan toen we onze sokken ontwikkelden).
Wij in de Vogezen bij Tissage de France (6 aanwijzingen op deze foto helpen je het jaar van ons bezoek te achterhalen).
Om een denimstof te ontwikkelen die niet te ruw is maar toch mooi zijn vorm behoudt, besloten we samen te weven:
Een niet al te dik denim (gewicht van 12 oz),
... met een zogenaamd "ringspun"-garen (zachter dan het "open-end"-equivalent),
... gemaakt van gekamd katoen (waaruit de kortste vezels zijn verwijderd voor meer zachtheid en sterkte, iets wat normaal gesproken voorbehouden is aan T-shirts of overhemden waarbij zachtheid gewenst is)
... en dat alles in biologisch katoen, uiteraard.
Maar daar bleven we niet bij: we wilden ook het 2e grote probleem oplossen dat uit onze vragenlijst naar voren kwam: het feit dat jeans uitrekken en uiteindelijk een maat groter worden. Daarom raadde Denis, de directeur van de fabriek, ons aan om, in plaats van het elastaan samen met de katoenvezels te spinnen (de klassieke methode, "corespun" genoemd), twee katoengarens rond een elastaandraad te twijnen (de "guipée"-methode, duurder maar naar verluidt effectiever).
Links: de "corespun"-methode, rechts de "guipée"-methode.
We hadden een paar pogingen nodig om de laatste aanpassingen te doen (met name aan de dikte van de elastaandraad), en eindelijk: het lukte ons een denim te weven dat zijn mannetje staat. Het bewijs:
Op de test die we zelf hebben bedacht (stof-tegen-stof-slijtage) komt onze jeans boven de 200.000 cycli uit! Daarmee beter dan alle jeans die we hebben kunnen testen.
Op de test voor blijvende vervorming is de resterende rek na 1 minuut slechts 1,8%, wat heel behoorlijk is: van de 6 andere jeans die we hebben getest, deed er maar één het beter.
Maar als je daarmee een sterk maar lelijk denim maakt, schiet je er niet veel mee op, toch? Goed nieuws: onze stof ziet er zo uit:
Een denim met net genoeg oneffenheden (met name dankzij het guipée-elastaan) om het karakter te geven.
In de zak
Met de ontwikkeling van de stof hadden we het grootste werk gedaan. Want voor de confectie van de jeans wisten we tot wie we ons moesten wenden: 5D, onze geniale Portugese fabriek gespecialiseerd in broeken (die voor tal van toffe Franse merken produceert).
Vergeleken met dat van onze stof was ons lastenboek voor de confectie vrij eenvoudig… We wilden:
Een semi-slim snit.
Zakken die diep genoeg zijn voor je telefoon en stevig genoeg voor je sleutels.
Een ritssluiting omdat dat praktischer is en mooier verkleurt bij het wassen.
Een eerste voorwas op de raw denim jeans, zodat hij bij jou thuis niet meer krimpt.
Verstevigde riemlussen.
Na wat heen-en-weer gepas met de snit hadden we onze jeans te pakken! Mooi, comfortabel en sterk. De eerste productie kon van start.
Een geslaagde passessie.
Tussendoor: au, die prijs Deze jeans verkopen we voor 100€. Oké, dat is niet niks… maar het is ook weer niet zo duur als het lijkt. Ten eerste heeft de ontwikkelingsfase ons behoorlijk wat geld gekost: tussen de labtests, het ontwikkelen van weefproeven en het heen-en-weer testen van prototypes, kwamen we uit op zo'n tienduizend euro (zonder onze eigen werktijd mee te rekenen). Daarnaast kost de productie van de stof ongeveer 15€/m, bijna twee keer zo duur als klassieke stoffen made in Italy: biologisch katoen, ringspun-spinnerij, gekamd katoen, guipée- in plaats van corespun-elastaandraad, made in France… onze ethiek en onze keuze voor kwaliteit hebben hun prijs. Tot slot is de confectie zorgvuldig en made in Portugal, met dus veel hogere lonen dan 95% van de jeans op de markt, die vooral in Azië of de Maghreb worden gemaakt. Maar omdat we geen collecties, geen uitverkoop en geen reclame maken, en onze aandeelhouders ons niet aanzetten tot een hoge marge (meer details hier), verkopen we hem "maar" voor 100 euro (voorlopig - deze prijs kan veranderen door inflatie op energie en grondstoffen).
Sterk maar niet onverwoestbaar
Het is bijna een jaar geleden dat we deze jeans lanceerden: we beginnen zicht te krijgen op hoe hij veroudert. Om te beginnen lijken de mensen die hem gekocht hebben erg tevreden: hij scoort 4,7/5 bij meer dan 100 mensen, echt geweldig.
Complimenten die ons met vreugde vervullen - en ons een beetje zorgen maken over het sociale leven van deze Guillaume.
Zal deze jeans voor eeuwig bestand zijn tegen gaten bij het kruis?
Nee.
Ten eerste hebben we, op meer dan 2000 verkochte jeans, al 3 meldingen van gaten gekregen: mensen die regelmatig fietsen of motorrijden. We hebben deze jeans namelijk ontworpen om goed bestand te zijn tegen wrijving "dij tegen dij"… maar hij zal niet veel beter bestand zijn dan andere jeans tegen wrijving "dij tegen zadel" (al vertelden de betrokken klanten ons steeds dat hun Loom-jeans minder snel doorsleet dan andere).
En zelfs voor wrijving door gewoon lopen geldt: hoewel hij waarschijnlijk langer meegaat dan gemiddeld, is de kans groot dat er ooit ook bij hem een gat komt: kortom, zoals elk kledingstuk van natuurlijke materialen, zal ook deze jeans uiteindelijk verslijten.
Zouden we een nog duurzamere jeans kunnen maken?
Onmogelijk, tenzij je veel synthetische materialen gebruikt: om de duurzaamheid van een kledingstuk te verhogen, is het makkelijkst om katoen te vervangen door polyester. Problemen: dat draagt niet lekker, het houdt geurtjes vast en vooral: we denken dat het hoog tijd is dat de mode afkickt van haar plasticverslaving (we vertellen je er meer over in dit artikel).
Zijn die gaten wel zo erg?
Niet zo erg als je zou denken. Want zoals alle kleding kun je ook een jeans repareren. Sterker nog, jeans zijn zelfs makkelijker te repareren dan andere kleding. Ten eerste zorgt de afwisseling van blauwe en witte garens ervoor dat ze visueel weinig uniform zijn… waardoor reparaties bijna onzichtbaar kunnen zijn. Voor gaten bij het kruis kun je dus een lapje stof aan de binnenkant van de jeans aanbrengen ter hoogte van het gat en het vervolgens vastnaaien met een draad in de juiste kleur… En hier is het resultaat:
Een reparatie die tussen de 20 en 30€ kost en die de meeste verstel- en naaiateliers prima kunnen uitvoeren.
Bovendien, zelfs als de reparatie een beetje zichtbaar is, is dat niet zo erg: denimexperts vinden dat de schoonheid van een jeans juist zit in de sporen van wat hij heeft meegemaakt. Het verkleuren door wassen (we hebben er trouwens een heel artikel over geschreven), de haken en beschadigingen, de reparaties, kortom de "patina", zijn stuk voor stuk littekens die hem waarde geven – en die heel wat merken trouwens proberen kunstmatig in de fabriek na te bootsen.
Het merk A.P.C verkoopt zelfs "natuurlijk versleten" jeans die duurder zijn dan hun nieuwe jeans.
Conclusie: laten we niet de verkeerde strijd voeren
Als onze jeans toch uiteindelijk kapotgaat en relatief makkelijk te repareren is, was het dan wel de moeite waard om ons zo druk te maken?
We hopen van wel: als het eerste gat bij het kruis een jaar of twee later verschijnt dan gebruikelijk, is dat altijd mooi meegenomen. Bovendien moesten we, om deze jeans te ontwikkelen, de wetenschap achter kleding begrijpen, en dat drijft ons echt. Tot slot vinden we het steunen van Franse fabrieken door samen R&D te doen, een nobele en boeiende missie.
Maar we moeten nuchter blijven: onverwoestbare kleding bestaat niet… en zal ook nooit bestaan. Het belangrijkste om kleding lang te houden, is niet de intrinsieke kwaliteit ervan: het is vooral hoe je ervoor zorgt. De kleding van onze grootouders was waarschijnlijk veel minder duurzaam dan die van nu. Toch hielden zij hun kleding veel langer. Omdat ze wisten hoe ze die moesten onderhouden, repareren en verstellen.
Het is nu aan ons om samen weer te leren zorgen voor onze kleding. Een servet omdoen voordat je tomatenpasta eet, de pluisjes van je trui scheren of van je sokken, je wollen truien voorzichtig wassen, je knopen aannaaien, haken repareren… en de gaten bij het kruis van je jeans verstellen.
Kortom, kleding die lang meegaat, is vooral kleding die goed veroudert.
Laten we minder kopen, en er beter voor zorgen.
Update maart 2024
Het weven van deze jeans gebeurt voortaan in Italië (en niet meer in Frankrijk). Helaas waren de minimale bestelhoeveelheden in Frankrijk te hoog en de productietermijnen te lang voor ons. In een lastige periode voor ethische merken, waarin onze kaspositie beperkt is, hebben we gekozen voor Italiaans denim (bij Candiani, een gerenommeerde wever). Om een stof te behouden die net zo lang bestand is tegen gaten bij het kruis als onze Franse stof, hebben we er meerdere laten testen met de slijtvastheidstest die we samen met ons laboratorium hadden bedacht (meer details hier). We hopen op een dag terug te kunnen naar onze Franse stof.
De Italiaanse stof heeft ongeveer hetzelfde gewicht als de Franse stof. Hij is iets elastischer, wat wat meer comfort geeft en ervoor zorgt dat hij na verloop van tijd iets meer uitrekt.
Voordeel van de Italiaanse vakkennis: de rauwe kleur geeft niet meer af
Wie zijn wij om dat te zeggen? Je bent op La Mode à l’Envers, een blog van het kledingmerk Loom. Het gaat niet best met de textielindustrie, en de planeet betaalt het gelag. Dus alles wat we over de branche te weten komen, proberen we je hier uit te leggen. Want duurzame kleding maken is goed, maar dingen blootleggen, delen en anderen inspireren heeft nog veel meer impact. Vind je wat we schrijven leuk en wil je meer? Klik dan hier om je in te schrijven voor onze nieuwsbrief. Beloofd: we schrijven weinig en we spammen nooit.
Het gebeurt weleens dat onze sokken, enkelsokken en wollen sokken na een paar maanden dragen gaan pluizen, om uiteenlopende redenen:
Bij onze katoenen sokken en enkelsokken zie je kleine pluisjes ontstaan op de plekken waar wrijving optreedt, vooral rond de achillespees. Om gaten op die plekken uit te stellen, hebben we namelijk een steviger polyamidegaren toegevoegd. Het nadeel is dat dat garen pluisjes vasthoudt die bij 100% katoen makkelijker zouden loslaten. Kortom, deze kleine pluisjes zijn een esthetisch offer dat je brengt op het altaar van duurzaamheid.
Ook bij onze wollen sokken zie je op de wrijvingsplekken pluisjes ontstaan, omdat de wolvezeltjes met elkaar verstrengeld raken en pluisjes vormen. Goed nieuws: zodra je de pluisjes van je wollen sokken hebt verwijderd, ben je van het grootste deel van die losse vezeltjes af, waardoor er steeds minder snel nieuwe pluisjes ontstaan. We vertellen je er meer over in dit artikel.
Als die pluisjes je niet storen (en dat is bij Loom eigenlijk ons standpunt), kun je ze ook gewoon hun pluisjesleven laten leiden: niemand ziet ze behalve jij, en ze maken je sokken niet minder sterk.
Storen die pluisjes je wel, dan kun je ze prima verwijderen met een elektrisch pluizenscheerapparaat zoals dit exemplaar voor € 29 (helaas vinden we 'm alleen bij Amazon terug, en dat doet ons pijn in het hart) of zoals dit exemplaar, te vinden bij Darty, waar de prijs afhankelijk van de periode tussen € 24 en € 50 ligt. Het beschadigt je sokken niet en het kost je minder dan twee minuten:
Je kent ons inmiddels een beetje: we laten nooit de kans lopen om je een bevredigende voor-en-na-vergelijking te laten zien:
Let goed op dat je het pluizenscheerapparaat niet te hard op je kledingstuk drukt, zeker bij structuurbreisels. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bovenkant van onze sokken, die gebreid is in een “honingraatsteek”, waarvan de lussen in het apparaat kunnen glijden als je het te hard aandrukt. Het mesje van het scheerapparaat zou dan een wollen draad kunnen doorsnijden en een gat kunnen vormen.
Wie ben ik om je over het onderhoud van je kleding te vertellen? Ik heet Claire en ik volg de productie op bij Loom. Kortom, ik probeer te voorkomen dat producten op onze site uitverkocht raken (oké, dat is nog niet helemaal perfect, maar ik werk eraan) en ik zorg er tijdens elke fabricagestap voor dat de kleding aan onze kwaliteitseisen voldoet. Daarnaast ben ik gepassioneerd door alles wat de levensduur van onze kleding verlengt: onderhoud, reparatie en andere huis-tuin-en-keukentrucjes. Ik geef kleding graag een “extra vleugje ziel”, werk ze bij, herstel ze en geef ze een nieuwe kans wanneer niemand ze nog wil. Op deze pagina's probeer ik met je te delen wat ik weet en wat je van pas kan komen. Nog één ding: alle tips die je op deze site vindt, heb ik echt zelf getest en persoonlijk gecontroleerd of ze werken (met andere woorden, dit is geen kopieerwerk van zoekresultaten op internet). Heb je nieuwe tips voor me? Laat gerust een reactie achter onder dit artikel.
In 2016 stond Loom nog in de kinderschoenen en wilden we hét overhemd maken dat niet de problemen van andere overhemden zou hebben. En wat we van mensen te horen kregen, is dat de belangrijkste reden om een wit overhemd weg te gooien vlekken zijn. De oplossing leek voor de hand te liggen, we moesten gewoon…
Augustus 2017. De site BonneGueule, dé referentie voor herenmode in Frankrijk, publiceert een artikel waarin overhemden van verschillende merken worden vergeleken. Waaronder ons vlekvrije overhemd. En hun analyse doet pijn:
Au.
Auw.
Ouch.
Huilie huilie.
Boehoe!
Kortom, ons overhemd was echt niet geweldig. En bovendien hadden we dingen beweerd die compleet onwaar waren.
Misschien ben je geneigd ons het voordeel van de twijfel te geven en denk je dat BonneGueule het mis had, of wel érg streng voor ons was? Heel aardig van je, maar we moesten het onder ogen zien: al hun kritiek was volkomen terecht.
Deel 2: Alles op de schop
Een nieuwe fabrikant
Het eerste wat we deden, was onze overhemdenfabrikant schrijven: hoe kan het dat we geen parelmoeren knopen hebben? Hoe kan het dat onze naden geen 7 steken per centimeter hebben?
We beseften toen dat deze “tekortkomingen” deels onze eigen schuld waren: we waren niet duidelijk genoeg geweest in onze schriftelijke aanvragen.
Dus herzagen we onze manier van samenwerken met onze fabrieken: voortaan sturen we een heel specifiek document mee dat alle details van de kleding die we produceren vastlegt: een “techpack”, zoals dat in de branche heet. En we passen uiteraard ook de productpagina van dit overhemd op onze site aan, door alle onterechte beloftes te schrappen.
Een voorbeeld van een document waarin we onze fabrieken laten zien hoe onze kleding eruit moet zien. Dat noemen we een “techpack”.
Maar we beseften ook dat wij niet de enige schuldigen in dit verhaal waren: een paar weken later leverde diezelfde fabrikant ons een lading overhemden met allerlei matenfouten. Toen begrepen we dat de productie was uitbesteed aan een andere, voor ons onbekende fabriek.
Het vertrouwen was weg, dus besloten we om niet meer met hen te werken en op zoek te gaan naar een nieuwe partner. Verschillende mensen die we vertrouwen, wezen ons door naar Supercorte.
Hoe weet je of deze fabriek goede kwaliteit levert?
Door naar hun klantenlijst te kijken: Supercorte werkt vooral met merken uit het hogere segment, zelfs met luxemerken.
Door met hen te praten: dit keer hadden we het gevoel dezelfde taal te spreken als het op kwaliteit aankomt.
Door de kwaliteit van hun productie te bekijken: alle prototypes die ze voor ons maken, zijn perfect in orde.
Door naar hun prijzen te kijken: de overhemden kosten ons wat meer dan voorheen. Logisch: kwaliteit heeft zijn prijs.
Kwaliteitscontroles
Lange tijd controleerden we alleen de prototypes, en niet de kleding uit onze grote producties. Maar als je aan de levensduur van kleding hecht, is het naleven van een maattabel bijvoorbeeld net zo belangrijk als de sterkte van een stof: als een overhemd 2 cm te smal is bij de schouders, is het gewoon niet draagbaar. Dus hebben we van alles opgezet om dit risico op “non-conformiteit” te beperken: tests, matencontroles… en de aanwerving van iemand die zich speciaal met dit onderwerp bezighoudt.
Geen gevaar meer voor de volksgezondheid
Van alle lastig te lezen kritiekpunten uit het artikel, was die over het materiaal toch wel de meest verontrustende:
Dit alles doet vermoeden dat dit “vlekvrije” materiaal chemische additieven bevat die niet bepaald oké zijn. Toegegeven, deze stof voldeed wel aan de REACH-norm die vereist is om producten te maken en verkopen in de Europese Unie (een norm die niet door iedereen wordt nageleefd, met name niet door Shein, zoals bleek uit deze documentaire).
Toch lijkt deze stof clean, toch?
Maar om absoluut zeker te zijn van een onschadelijke stof, hadden we moeten vragen om de zogeheten “OEKO-TEX”-norm – iets wat we nu voor elke stof die we gebruiken eisen.
Toen we ons hierin verdiepten, begrepen we dat het beter is om alle behandelingen te vermijden die stoffen zogenaamd “superkrachten” geven: die zijn vaak gebaseerd op nogal onfrisse chemische verbindingen, zoals “PFC's”, die het milieu eeuwenlang kunnen vervuilen en waarvan de effecten op de menselijke gezondheid nog onzeker zijn (de beruchte hormoonverstoorders…).
We besloten dus te stoppen met het maken van dit vlekvrije overhemd. En we hebben onszelf ook alle “makkelijk strijken”-behandelingen op onze overhemden verboden, “anti-geur”-eigenschappen op sokken, “snel drogen”-appretuur op de stof van onze zwembroek… Is het het waard om je gezondheid te riskeren voor drie minuten minder strijken?
Textielkennis
Dit artikel van BonneGueule heeft, net als de feedback van onze klanten, een van onze overtuigingen onderuitgehaald: om kwaliteitskleding te maken, kun je fabrieken niet blindelings vertrouwen.
De mensen in de fabrieken doen heel moeilijk en waardevol werk, maar ze weten lang niet alles. Zo weten ze, in tegenstelling tot merken, niet per se hoe kleding veroudert. Bij Loom vragen we onze klanten stelselmatig wat ze van onze kleding vinden één jaar nadat ze die hebben gekocht. Zo kennen we alle mogelijke zwakke plekken en weten we vaak beter dan de fabrieken waar we op moeten letten. Bij een T-shirt heeft onze ervaring ons bijvoorbeeld geleerd goed op te letten voor vervorming. En als het een donkere kleur heeft, weten we dat we alert moeten zijn op kleurbehoud, want die kan verbleken door de zon en transpiratie.
Kortom, als we de kwaliteit van onze kleren echt willen verbeteren, is het essentieel om de wetenschap achter kledingkwaliteit te begrijpen: de technische kennis moet ook aan onze kant liggen.
En daar werken we voortaan elke dag aan, door studies en boeken te lezen, met technisch directeuren van fabrieken en kwaliteitsverantwoordelijken van andere merken te praten, door onze eigen tests uit te voeren…
We hebben zelfs een kanaal op onze interne chat waar we ALLES noteren wat we leren.
Vandaag proberen we, elke keer als we iets leren over kledingkwaliteit, bronnen te kruisen en niet alleen de cijfers of informatie te gebruiken die ons goed uitkomen. Dat is zelfs een van onze communicatieprincipes geworden:
Punt nr. 7 van onze redactionele bijbel.
Met deze nieuwe aanpak hebben we punt voor punt alles wat we voor vanzelfsprekend hielden over overhemden opnieuw onder de loep genomen ("klopt het wel dat dit detail voor extra sterkte zorgt?"). En dat heeft ons tot behoorlijk wat veranderingen geleid.
Om te beginnen besloten we geen parelmoeren knopen meer te gebruiken: het klopt dat dit materiaal erg mooi is (daarom vind je het ook op overhemden uit het hogere segment), maar we merkten dat deze knopen in de wasmachine konden breken. Dus kozen we voor dikke knopen van hars die beter bestand zijn tegen het wassen. En we versterken hun bevestiging ook systematisch met een Ascolite-machine, die de knoopsteel omwikkelt met een extra, warm-gelaste draad (bekijk de machine in actie hier).
Vervolgens stelden we ons vragen bij de “versterkingsdriehoekjes”, die kleine stukjes stof tussen de voor- en achterkant van het overhemd, die de sterkte zouden moeten verhogen. We namen een fast-fashion-overhemd zonder deze driehoekjes en trokken er met alle kracht aan beide kanten aan: er gebeurde niets. Weer een esthetisch detail dus, en geen element dat de sterkte verhoogt: we besloten ze weg te laten.
Eén zwaluw maakt nog geen zomer, en een versterkingsdriehoekje nog geen stevig overhemd.
Ten slotte hebben we Engelse naden en de 7 steken per cm losgelaten: vroeger verbeterde dat mogelijk de sterkte, maar tegenwoordig zijn de meest gebruikte naaigarens (in "polykatoen'') bijzonder sterk, waardoor dit soort details overbodig wordt. Dat betekent niet dat overhemden met deze naden niks waard zijn, alleen dat het om een esthetische keuze gaat en niet om stevigheid.
Deel 3: Het eerherstel
Zoals je je kunt voorstellen, kwam het lezen van dit artikel van BonneGueule in het begin best hard aan.
Maar dit artikel heeft ons ook goed gedaan (dat is onze sadomasochistische kant) – het was een van de nodige wake-upcalls om onze manier van kleding ontwikkelen radicaal te veranderen: stoppen met werken met onbetrouwbare fabrieken, beter controleren op de kwaliteit van onze producties, alles wat voor vanzelfsprekend wordt aangenomen checken, onze textielkennis vergroten… en tot slot, stoppen met “overbeloven”.
Want het is heel normaal om geen foutloze producten te kunnen maken, wat we willen vermijden, is beweren dat ze dat wél zijn. En destijds waren de superlatieven die we voor onze producten gebruikten pretentieus… en onwaar.
Oops I did it again for, I played with your heart, got lost in the game.
Eigenlijk waren we het slachtoffer van iksnapnuallesisme : wanneer je je in een onderwerp begint te verdiepen (kledingkwaliteit in ons geval), ben je vaak het slachtoffer van een overmoedig zelfvertrouwen.
De curve van het iksnapnuallesisme.
In ons geval dachten we, na 2 uur praten met een fabrieksdirecteur en het lezen van 2 artikelen over de lengte van katoenvezels, het geheim van duurzame kleding te hebben gekraakt. Terwijl textielkwaliteit een enorm complex onderwerp is waar je nooit alles van zult begrijpen, zelfs niet na er een heel leven aan te wijden.
Onze eigen curve van het iksnapnuallesisme.
Destijds beloofden we “de beste kleding van de markt” en dat werkte: de meeste mensen willen dat graag geloven en het verkocht goed. Maar op de lange termijn beseften we dat dit voor veel teleurstelling zorgde: er zal altijd wel een T-shirt in jouw kast liggen dat het net zo goed, of zelfs beter, uithoudt dan je Loom T-shirt.
Dus hebben we het “overbeloven” losgelaten: voortaan proberen we bescheidener en feitelijker te zijn als we de kwaliteiten van onze producten aanprijzen. We hebben dit principe zelfs vastgelegd in onze “redactionele bijbel”:
Punt nr. 17 van onze redactionele bijbel.
En uiteindelijk past die wens om de beste producten van de markt te maken en een dominante positie in te nemen niet meer bij wat we voor de textielindustrie zouden willen: we denken dat er een ecosysteem van duizenden verschillende kleine en middelgrote merken nodig is, in plaats van een handvol multinationals die de rest overheersen, zoals we schreven aan het einde van het artikel Roet in het katoen :
"Vandaag verstikken een handvol gigantische wereldmerken de rest met de race naar de bodem op prijs, en maken ze de kledingsmaak van de hele wereld eenvormig. Morgen zouden ze plaats kunnen maken voor duizenden merken, lokaler, doordachter, creatiever, die minder ellende en ongelijkheid veroorzaken.
Vandaag brengen we onze zaterdagmiddagen door met het kopen van steeds meer kleren, terwijl onze kasten al overvol zijn, in winkelstraten waar we eindeloos dezelfde winkels tegenkomen, of we nu in Saint-Malo, Brive, Parijs of Nancy zijn. Morgen zouden we het plezier van doordachte aankopen kunnen terugvinden. Van kleding dragen die mooier en duurzamer is. Van een knoop (laten) aannaaien in plaats van een overhemd weg te gooien. Van een winkel ontdekken die je nergens anders had kunnen vinden."
Het is bijna 5 jaar na de publicatie van dit artikel van BonneGueule, we hebben onze manier van overhemden maken grondig herzien, en we denken dat het werk zijn vruchten heeft afgeworpen:
4,7 is een topcijfer.
Vandaag zijn we best trots op de Loom-overhemden die we verkopen: ze zijn robuust, goed gesneden, lokaal geproduceerd, tegen een betaalbare prijs en klanten zijn er tevreden over.
Maar misschien dat we over 2 jaar – met de nieuwe textielkennis die we dan hebben opgebouwd, de nieuwe feedback van onze klanten, de nieuwe innovaties in de textielindustrie – als we dit artikel herlezen, zullen denken dat we toen nog helemaal niets wisten en behoorlijk naïef waren.
Dit artikel is oorspronkelijk in het Frans geschreven (onze moedertaal). Excuses bij voorbaat als sommige zinnen wat stroef lopen. Mail ons gerust op hello@loom.fr om ons te helpen deze vertalingen te verbeteren.
Dans cet article, on vous raconte comment nos désillusions sur la “patine” des jeans bruts nous ont amenés à développer un jean qui ne délave pas. Attention, cette histoire va vous faire presque autant voyager qu’un jean de fast fashion : on vous emmène depuis Hollywood jusqu’à Shanghai, puis depuis l’Italie jusqu’à l’Égypte.
Bien qu’il ait la particularité de délaver, le jean est le pantalon le plus vendu au monde.
Si on aime tellement cette esthétique du denim qui change de couleur au fil du temps et des portés, c’est sans doute parce que Levi’s et Hollywood nous la vendent depuis bientôt 80 ans.
Le rêve américain version blue jeans
Et c’est vrai que ça peut être très beau un jean délavé : les marques de décoloration racontent l’histoire de la personne qui le porte.
Un jean de la marque Bonnegueule qui a joliment patiné (tiré de cet article de vrai denim head)
On peut dire que c’est un vêtement qui patine : on voit son vieillissement et on le trouve encore plus beau comme ça.
Sauf que, dans la vraie vie, la décoloration des jeans peut être moins glamour. Voici le genre de problèmes qu’on reçoit nous, au SAV chez Loom.
Problème n°1 : les marbrures. Si le jean est lavé sur l’endroit et/ou que la machine est très chargée, le tissu reste plié aux mêmes endroits et frotte contre le tambour : il en ressort avec de vilaines traces claires.
Problème n°2 : la marque du téléphone. Problemo classico de l’époque moderne quand il reste toute la journée dans la poche.
Problème n°3 : les décolorations des “vélotaffeurs”. Pour ceux qui pédalent beaucoup, c’est les frottements contre la selle qui font une décoloration localisée dans une zone… pas évidente à assumer.
Problème n°4 : les genoux. Décolorations symptomatiques des jeunes parents et des gens qui travaillent dans le bâtiment (deux activités qui impliquent d’être pas mal à genoux).
Difficile de parler de patine qui embellit le vêtement dans ces cas : en général, nos clients et clientes sont dégoûtés parce qu’ils trouvent que leur jean est devenu moche et/ou ne peut plus être porté dans un contexte un peu formel.
Pour être tout à fait honnête, on aurait pu le prédire (lol). Avant de construire notre premier jean il y a quelques années, on avait fait un petit sondage. Et à la question “c’est quoi le problème avec vos jeans ?”, environ 20% des répondants avaient déjà évoqué les problèmes de décoloration : “la teinture ne tient pas bien”, “la couleur part trop vite”, “le tissu se décolore”, etc.
À l’époque, comme on était encore bercés par le mythe du jean qui patine (et qu’on n’avait pas encore reçu toutes les photos ci-dessus), on ne l’avait pas vraiment considéré comme un problème à résoudre. 6 ans plus tard, on a décidé de lancer (aussi) un jean qui ne décolore pas.
Mais avant de vous expliquer comment on a fait, on doit faire un petit détour par la technique et vous expliquer pourquoi les jeans décolorent contrairement aux autres pantalons (eh oui : vous avez sûrement remarqué que la couleur tient beaucoup mieux sur vos chinos que sur vos jeans).
Colorant indigo vs. colorants réactifs
D’abord, une petite explication technique. Un jean (bleu) c’est un tissu avec des fils verticaux bleus (la “chaîne”) et horizontaux blancs (la “trame”).
Ces fils bleus sont teints avec un colorant un peu spécial : l’indigo, qui a la particularité de ne pas pouvoir se lier chimiquement avec la cellulose du coton. Pour une teinturerie, c’est donc très difficile de faire pénétrer ce colorant jusqu’au cœur du fil. Ça demanderait des bains beaucoup plus longs et concentrés, bien trop chers en termes industriels. Les fils bleus ne sont donc teints qu’en surface.
Si on faisait une coupe d'un fil bleu de jean, voilà ce qu'on verrait.
Alors pourquoi un jean délave ?
D’abord, les frottements lors des lavages et des portés finissent par laisser apparaître le coeur blanc à l’intérieur des fils.
En plus, avec les lavages, le colorant indigo migre des fils bleus vers les fils blancs, qui prennent une teinte légèrement bleutée.
C’est ça, le mécanisme derrière la “patine”. Ce n'était pas forcément voulu à la base : c’est surtout une conséquence des caractéristiques techniques de l’indigo.
À gauche : un denim ‘brut’, non lavé. On voit qu’il y a des fils très bleus et des fils très blancs qui s'entrecroisent. À droite : un denim délavé. On ne distingue plus vraiment le fil blanc du fil bleu.
Donc nous, si on veut un jean qui ne décolore pas avec le temps, il faut qu’on choisisse un colorant qui se lie chimiquement à la cellulose du coton pour pénétrer jusqu’au cœur du fil. Bonne nouvelle, ça existe depuis les années 50 : ce sont les colorants dits réactifs. Et ils sont utilisés sur la plupart des tissus en coton aujourd’hui.
Sauf, bien sûr, sur les jeans. Peut-être parce que l’esthétique hollywoodienne des jeans délavés a trop pénétré les esprits ? Peut-être parce que les usines de teinture d’indigo ont demandé beaucoup d’investissements et qu’on veut les rentabiliser ? Peut-être parce que les colorants réactifs sont légèrement plus chers que l’indigo ? C’est probablement un mélange de toutes ces raisons.
Du coup, pas évident pour nous de développer un jean teint avec des colorants réactifs : il fallait qu’on trouve un tisseur de jeans capable de teindre avec ces colorants alors qu’ils sont tous spécialisés dans la teinture indigo.
Heureusement, on a eu un petit coup de pouce, venu de loin : celui des consommateurs chinois.
La Chine, le pays des vêtements qui ne décolorent pas
Si l’esthétique hollywoodienne des jeans patinés et délavés a profondément marqué les consommateurs occidentaux, c’est beaucoup moins vrai en Chine. Au contraire : les Chinois se méfient des tissus qui déteignent. Et l’histoire du pays aide à comprendre pourquoi.
Dans les années 30, l’entreprise de chimie allemande IG Farben cherche des débouchés pour un colorant bleu très solide dit “indanthrène” : elle fait alors des campagnes de pub massives pour pousser son adoption en Chine. À Shanghai, la robe de coton bleu devient alors l’uniforme des étudiantes et des femmes modernes, et le tissu bleu indanthrène qui ne déteint pas devient presque le “tissu national”.
Pub des années 30 pour les tissus teints avec le colorant indanthrène. À droite, il est écrit “pourquoi est-elle si joyeuse ?”. La réponse est à gauche : parce que sa robe “ne passe pas, même en plein soleil”.
Ça ne s’arrête pas avec l’arrivée du communisme, au contraire. Dans les années 50, l’industrie textile est mise sous tutelle de l'État, qui impose des contraintes fortes aux usines pour éviter les pénuries. Par exemple, à la fin des années 50, les teintureries généralisent la teinture des tissus à cœur pour faire disparaître le “défaut du cœur blanc qui existait depuis longtemps” (exactement le phénomène qui fait la patine des jeans). Une obsession qui se lit jusque dans les affiches de propagande.
Affiche de 1972. Son titre : “La couleur ne passera jamais”
Cette exigence pour la solidité des couleurs n’a pas disparu avec l’ouverture au capitalisme : depuis 2003, une norme chinoise interdit même la vente de vêtements qui décolorent trop avec les frottements. Autrement dit, un jean avec un beau tissu japonais, qui bleuit un peu les doigts ou le canapé, serait probablement interdit à la vente en Chine.
Ces dernières années, l’absence de décoloration est même devenue un argument de vente pour les marques de jeans chinoises. Sur les sites Taobao ou JD (les Amazon chinois), on lit souvent des promesses pour les jeans du type bù yì tuì sè (“ne passe pas facilement”) ou encore bù diào sè (“ne déteint pas”).
Une fiche produit typique de jean sur le site JD.com. Pour les (rares) non-bilingues qui nous lisent, ça dit que c’est un denim haut de gamme qui ne déteint pas facilement grâce à une teinture réactive.
Notre premier prototype
Pourquoi on vous raconte tout ça ? Parce qu’il y a un an, l’usine italienne Candiani (notre principal fournisseur de tissus denim) a lancé un tissu de jean “stay blue”, c’est-à-dire teint avec des colorants réactifs pour… le marché asiatique.
Quand on l’a appris, on leur a tout de suite demandé quelques mètres de ce tissu pour faire monter un prototype. Et le résultat nous a ravi.
D’abord, la couleur est très belle, et elle fait très “jean”. Et ce n’est pas aussi simple qu’il n’y paraît, car il n’existe pas de colorant réactif qui reproduise exactement le même spectre lumineux que l’indigo. Ce dernier est un bleu sombre légèrement violacé (le fameux “red cast” que cherchent les amateurs de denim). Il faut donc créer un mélange de colorants réactifs qui s’approchera le plus possible de l’indigo, avec notamment un peu de colorant rouge pour reproduire ses reflets typiques. Avec en plus une contrainte : trouver des colorants réactifs qui ont tous à peu près la même solidité au lavage ou à la lumière, pour que la couleur du jean ne "vire" pas avec fil du temps.
Ensuite le tissu aussi est beau : ses fils comportent des “slubs”, c'est-à-dire de légers épaississements par endroits qui lui donnent de la texture et du caractère.
Maintenant, reste à savoir comment ce jean va tenir dans la durée : est-ce que le brut restera bien brut ? Est-ce qu’il n’y a pas d’autres problèmes qu’on n’a pas anticipés ?
Pour répondre à ces questions, le juge de paix, c’est de beaucoup porter et laver le vêtement. Et ça, on a l’habitude de le faire chez Loom.
Suivi des vêtements qu’on teste “au porté”. Ou pourquoi Guillaume n’achète jamais de vêtements.
Résultat : après des mois à le porter souvent et le laver n’importe comment (à 60°C, sur l’endroit, avec une machine remplie – cascade à ne pas reproduire chez vous) :
À gauche notre jean “stay blue” neuf, à droite le même jean, mais porté et lavé pendant 10 mois par Guillaume.
La tenue de la couleur, et en général la qualité du jean, sont bluffantes. On décide donc de lancer la fabrication. Hélas, la vie n’est pas un long fleuve tranquille.
L’heure du compromis
Quand on a écrit à Candiani pour passer commande du tissu, coup dur : ils nous annoncent que leur partenaire italien qui faisait la teinture réactive a fermé. En plus, la période est compliquée pour les usines italiennes et le prix de la teinture a beaucoup augmenté : ils envisagent d'arrêter de produire ce tissu de jean “stay blue”.
On leur écrit un mail pour les supplier de continuer à le proposer, en leur expliquant qu’on penserait sûrement en vendre un paquet et que notre jean pourrait peut-être même donner envie à d’autres marques de développer aussi un jean stay blue avec leur tissu. Ils nous répondent alors que la seule manière de continuer à proposer ce tissu, c’est d’aller le produire dans une grosse usine qui sait faire du denim teint en réactif… en Egypte. Cette grosse usine a l'avantage d'être plus solide financièrement : elle ne risque pas de mettre la clef sous la porte dans les prochains mois.
Pour nous, il y a un premier deuil à faire : bien sûr, la confection de notre jean sera toujours faite au Portugal mais cette impossibilité de faire tisser et teindre notre denim en Europe est un signal inquiétant pour l’avenir de l’industrie de notre continent.
Autre renoncement : le coton. Sur cette première production, le tissu ne sera pas fait avec du coton bio certifié GOTS mais avec du coton dit “régénératif”, une certification un peu bullshit. Si vous trouvez que ça n’est pas si grave, vous pouvez lire ou relire cet article : la question du coton bio n’est pas un détail en termes d’impact sur l’environnement et la santé.
Malgré tout, on a décidé de passer commande du tissu. D’abord, le renoncement au coton bio est, on espère, seulement temporaire : si nos jeans se vendent bien et que le tissu tient ses promesses, on pourra commander de plus grosses quantités de tissu et atteindre les minimums de production pour passer au coton bio. Et en ce qui concerne la production en Égypte, on doit être lucide : la fermeture des usines européennes comme cette teinturerie italienne est une lame de fond qu’on ne pourra pas freiner avec nos seules commandes. Et qui sait, peut-être qu’un jour, si le “stay blue” se démocratise en France, Candiani décidera de réimplanter une unité de teinture réactive en Italie.
À quoi ressemble notre premier jean “stay blue”
Pour cette première production de denim “stay blue”, on lance une nouvelle coupe dans le vestiaire homme : le jean large.
C’est une coupe plus ample que notre jean droit, mais pas baggy non plus (et assez stylée si vous voulez notre avis absolument pas biaisé).
Et c’est surtout une coupe qui marche très bien avec ce tissu stay blue 100% coton (sans élasthanne) et épais (14 ¾ oz) : pas besoin d'élasthanne ou d’un tissu léger s’il y a suffisamment de place pour les jambes. Disponible uniquement en coloris brut (puisque c’est principalement cette couleur qui pose des problèmes de décoloration).
Attention, on ne veut pas vous faire de surpromesse : aucun colorant n’est éternel. Les lavages, les UV, les frottements attaquent la teinture. Dans cinq ans, le jean ne sera probablement pas aussi bleu qu'au premier jour (et vous ne serez probablement jamais aussi beau que Brad Pitt, même si votre jean est plus bleu que le sien). Mais vous pourrez toujours le reteindre (le jean, pas Brad) pour une dizaine d’euros (notre tuto ici).
Et la suite ?
On attend d’avoir les retours des acheteurs de ce jean large, après plusieurs mois (voire années ?) de portés. Si tout se passe bien, on pourra rajouter la couleur “stay blue” à la gamme de notre jean droit (à la place du brut), voire de notre jean large femme (il arrive bientôt) et passer ce tissu en coton bio. Bref, maintenant on attend et on vous écoute.
On entend parfois parler de "pigments" indigo mais en fait, c'est bien un "colorant" car il passe par une phase soluble dans le bain avant d'être piégé dans la fibre.
Ces colorants se lient à la cellulose du coton par une liaison dite "covalente" très résistante
Notamment parce qu'il y a plus de pertes en colorants réactifs (alors qu'un bain d'indigo peut se réutiliser à l'infini) et parce que le rinçage des bains de colorants réactifs demande beaucoup d'eau chaude.
C'est décrit dans cet article de Sina News de 2017, « Qipao fengyun : Minguo shiqi zui shou nüxing huanying de fushi » [Le charme du qipao : le vêtement le plus apprécié des femmes à l’époque républicaine], https://k.sina.cn/article_2810373291_a782e4ab0340053l9.html (en chinois)
Ca vient des annales de l’industrie textile de Shanghai, partie III « Procédés et équipements », chap. 2 « Impression-teinture », sect. 2 « Teinture », Bureau des annales locales de Shanghai. http://www.shtong.gov.cn/dfz_web/DFZ/Info?idnode=56768&tableName=userobject1a&id=49888 (en chinois)
Norme chinoise GB 18401 : c'est une norme nationale obligatoire de sécurité des textiles, qui classe tout vêtement en catégories A (bébés), B (contact peau), C (sans contact). Un jean est en B et doit tenir ≥ 3/5 aux solidités à l’eau, à la transpiration acide et alcaline et au frottement à sec.
Le tissage et la filature aussi sont délocalisée là-bas, seule la finition reste en Italie.
Les minimums de commande pour un tissu en coton bio sont très élevés, ce qui serait un trop gros pari pour nous : si on commande des milliers de jeans avec cette matière et qu’ils ne se vendent pas, ça peut nous faire mettre la clef sous la porte.
Elle n’interdit pas les pesticides de synthèse mais demande seulement une trajectoire d’amélioration
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur.