Waarom Frankrijk zichzelf niet meer kan kleden
Waarom Frankrijk zichzelf niet meer kan kleden

Hoe gaat het met de kledingindustrie in Frankrijk?
Om daar een idee van te krijgen, kun je gewoon een kijkje nemen in je eigen kledingkast. En tellen hoe vaak er “made in France” op het label staat.
1. De (droevige) staat van de kledingindustrie in Frankrijk
Als je zo'n honderd kledingstukken bezit, zou je ongeveer… drie labels moeten tellen. Misschien een paar sokken, of een onderbroek of trui. Ja echt: slechts 3% van de kleding die in Frankrijk verkocht wordt, is ook daadwerkelijk in Frankrijk gemaakt1.
Met andere woorden: de kledingindustrie in Frankrijk, degene die ons dagelijks aankleedt, is vandaag de dag bijna volledig verdwenen2.
Toch is dat niet wat je in de krant leest. Je hoort soms spreken van een “wedergeboorte van de textielsector” die meer dan 100.000 banen zou tellen3 (een cijfer dat zelfs zou stijgen4) met kledingexport die zou zijn gestegen tot meer dan 14 miljard euro5… Helaas zijn deze cijfers misleidend.
Als je goed kijkt, blijken deze 100.000 banen alle werknemers te omvatten van bedrijven waarvan de “hoofdactiviteiten” bestaan uit “textielproductie, confectie, leer en schoeisel”. Maar hoeveel van deze bedrijven maken nu echt de kleding die we dagelijks dragen? Nou, niet veel. Zo zijn de 109.000 banen in de sector kleding, textiel en leer eigenlijk verdeeld6 :

We komen dus uit op:
- 42.000 banen in de leerindustrie, die de belangrijkste oorzaak is van de waargenomen banengroei (+14.000 banen sinds 20067). Maar deze bedrijven maken vrijwel geen kleding: een beetje gechargeerd gezegd maken ze vooral luxe handtassen, en daar kun je je dagelijks niet echt mee aankleden8.
- 36.000 banen in de eigenlijke textielindustrie, dat wil zeggen de productie van stoffen (spinnen, weven, enz.). Maar deze industrie is grotendeels gericht (voor twee derde9) op de productie van technisch textiel (bekleding voor autostoelen, werkkleding, stoffen voor meubels of de medische sector), maar ook op stoffen voor meubels of huishoudtextiel. Dit ecosysteem rond technisch textiel is gelukkig behoorlijk levendig in Frankrijk, maar het maakt vrijwel geen kleding.
- 31.000 banen in de kledingconfectie. Maar als je goed kijkt, blijken de grootste bedrijven in deze categorie (hier of daar) in werkelijkheid opdrachtgevers te zijn die het merendeel van hun kleding in het buitenland laten maken: het gaat dus niet om banen voor naaisters & naaiers, maar vooral om administratief personeel en inkopers - niets te maken dus met een lokale industrie. En voor de rest gaat het vooral om confectieateliers die voor de luxe-industrie werken (die tot 90% van hun klanten uitmaakt). Van deze 31.000 werknemers zijn er dus maar heel weinig die daadwerkelijk kleding maken...
In feite zijn er van deze 109.000 banen maar een paar duizend (waarschijnlijk niet meer dan 10.00010) die echt bedoeld zijn om Frankrijk dagelijks te kleden.
Als we de confectieateliers buiten beschouwing laten, die tegenwoordig vooral voor de luxe-industrie werken, blijven er in Frankrijk nog maar een stuk of vijftig kleine fabrieken over die daadwerkelijk kleding maken: een handvol spinners, wevers, breiers en ververs in nichesegmenten (we hebben er een lijst van gemaakt op dit document, voel je vrij om er nog meer aan toe te voegen als je die kent). Ter vergelijking: Bangladesh telt meer dan 8.000 fabrieken die zich toeleggen op kleding11, dat is bijna 200 keer zoveel…
En dit zijn dan ook steeds diezelfde fabrieken die je in tv-reportages ziet, als bewijs dat er nog steeds kleding gemaakt kan worden in Frankrijk. Ze dragen vaak het label “Entreprises du Patrimoine Vivant” (levend erfgoed), en terecht: ze zijn de hoeders van een vakmanschap dat met de dag verdwijnt. Maar voor hoe lang nog? Veel van deze fabrieken verkeren tegenwoordig in grote moeilijkheden, zoals Velcorex in de Vosges, in het oosten van Frankrijk, of Lemahieu in de regio Nord, in het noorden van Frankrijk12.
En waar komen die 14 miljard aan kledingexport vandaan die soms in de media worden genoemd? Een deel is te danken aan de luxesector, maar voor de rest gaat het vooral om wederuitvoer van kleding: grote Franse merken (Kiabi, Décathlon, enz.) slaan in het buitenland gemaakte kleding op in hun Franse magazijnen en sturen die vervolgens naar hun winkels in het buitenland om ze daar te verkopen. Zoals INSEE (het Franse bureau voor statistiek) aangeeft13, komt 75% van de Franse textielexport eigenlijk uit import.
Met andere woorden: de Franse industrie voor alledaagse kleding is bijna volledig verdwenen… en veel van de overgebleven fabrieken verkeren in grote moeilijkheden. Kortom, we hebben een industrie die nochtans voorziet in een op het eerste gezicht fundamentele behoefte van de bevolking - het zich kleden - vrijwel volledig naar het buitenland verplaatst.
Waarom zijn we onze industrie kwijtgeraakt? Vooral omdat een kledingstuk… slap is.
2. Waarom we geen kledingindustrie meer hebben in Frankrijk
De textielindustrie maakt zachte, buigzame producten, en dat verandert alles. Waarom? Omdat we, als materialen slap zijn, de menselijke hand niet door een robot kunnen vervangen.
Even ter herinnering: om een stof of een kledingstuk te maken, moet je een aantal stappen doorlopen:

Al deze stappen gebeuren natuurlijk met machines. Maar bij de laatste stap, de confectie, is de machine op zijn… bescheidenst:

Ja, het is de naaimachine, en die heeft een vaardige naaister of naaier nodig om hem te bedienen. In tegenstelling tot stugge metalen of plastic materialen die robots kunnen vastpakken en verplaatsen, kunnen alleen mensen stoffen samenvoegen om ze aan elkaar te naaien. Het is niet dat het niet geprobeerd is: de geschiedenis staat vol met mislukte pogingen om robots te bouwen die het naaiwerk van mensen overnemen. De Japanse staat investeerde er in de jaren 80 zelf al meer dan 100 miljoen dollar in14. Zelfs DARPA (het Amerikaanse agentschap voor defensieonderzoek) investeerde in start-ups die probeerden robots te bouwen om t-shirts te naaien15. Maar telkens weer liepen deze pogingen op niets uit.
Er is geen ontkomen aan: om een kledingstuk te maken, is menselijk werk nodig, vooral bij de confectiestap. Een t-shirt naaien duurt bijvoorbeeld 5 minuten. Voor een spijkerbroek is het bijna onmogelijk om onder de 15 minuten te komen16. Kleding was dus de perfecte kandidaat om te verplaatsen naar het buitenland: het is makkelijk te vervoeren, niet bederfelijk en, omdat er nogal wat handwerk voor nodig is, leverde het een enorm concurrentievoordeel op om de productie te verplaatsen naar landen met heel lage lonen.
Vanaf de jaren 60-70, zodra vrachtschepen het mogelijk maakten om goederen relatief goedkoop te vervoeren, was de textielsector dan ook een van de eersten om zijn productie te verplaatsen. Een trend die je in de meeste westerse landen terugziet.

Genadeklap: in 2005 (dat is nog niet zo lang geleden!) lopen de Multivezelakkoorden af: deze regeling had een plafond gezet op de import van kleding om de industrieën van westerse landen te beschermen. Daarna schoot de import vanuit Azië omhoog18, en tegenover die concurrentie viel wat er nog over was van de Franse textielindustrie helemaal uiteen.

En de gevolgen zijn ernstiger dan je zou denken.
3. De gevolgen van het verdwijnen van de kledingindustrie
Voordat we het over de gevolgen voor Frankrijk hebben, eerst een open deur: het probleem van het verplaatsen van de productie treft in de eerste plaats de landen waar we die productie naartoe verplaatsen.
We spreken keurig van produceren in “lagelonenlanden”, maar het is de moeite waard om goed te kijken wat dat precies betekent: bedrijven hebben hun productie verplaatst naar landen waar de lonen bij lange na niet genoeg zijn om waardig van te leven. In Bangladesh bijvoorbeeld bedraagt het minimummaandloon, ook al werkt men er 60 uur per week, slechts 38% van het leefbaar loon19, het inkomen dat nodig is om in alle basisbehoeften te voorzien. Concreet betekent dit dus dat de arbeiders en arbeidsters die daar een t-shirt maken, ondanks hun immense werkuren, geen fatsoenlijk onderdak kunnen betalen, niet genoeg te eten hebben of niet de school van hun kinderen kunnen betalen: het is werk waarmee je net kunt overleven, maar niet kunt leven. De arbeidsomstandigheden zijn er zo desastreus dat de bevolking er onlangs zelfs tegen in opstand kwam - protesten die door de regering met geweld werden neergeslagen20.
En dan hebben we het nog niet over het feit dat we met het verplaatsen van de productie ook de vervuiling verplaatst hebben (sterker nog: we hebben haar vergroot, want de milieunormen in die landen zijn vaak minder streng en worden minder goed gehandhaafd dan bij ons). Dat is de afgelopen jaren door meerdere schandalen pijnlijk duidelijk geworden: rivieren die vervuild raakten door ververijen21, de lozing van hormoonverstorende stoffen in het milieu22, te hoge loodgehaltes in kleding23, om er maar een paar te noemen.
Dat is misschien wel het belangrijkste probleem van die verplaatsing: ze beschadigt de mensen en het milieu in de landen die nu produceren. En omdat dat niet bij ons gebeurt, voelen we ons er op het moment dat we onze kleding kopen niet echt bij betrokken. Uit het oog, uit het hart.
Dat gezegd hebbende, en ook al is het een beetje op onszelf gericht, laten we het toch over de gevolgen voor Frankrijk hebben.
A- De sociale problemen: werkloosheid, maar niet alleen dat
In tegenstelling tot dienstverlenende bedrijven, die zich concentreren in de grote steden, hebben fabrieken ruimte nodig en een lagere huur. Ze creëren hun banen dus eerder op het platteland, in kleine en middelgrote steden. Tot in de jaren 70-80, lagen de Franse regio's dan ook bezaaid met fabrieken die gespecialiseerd waren in uiteenlopend vakmanschap : spinnerijen in de regio Nord, in het noorden van Frankrijk, tricotage in de Aube, in het noordoosten, weverijen in de Vosges, in het oosten…

Toen de fabrieken sloten, verdwenen de banen en kwamen ze niet meer terug: in de meeste voormalige textiel-industriegebieden (behalve de regio rond Lyon en Roanne) ligt de werkloosheid tot op vandaag hoger dan in de rest van Frankrijk24. Temeer omdat met de sluiting van de fabrieken ook de bakkers, de cafés, de postkantoren - kortom een groot deel van de lokale economie - de deuren sloten.

Maar het gaat niet alleen om werkloosheid: er is ook het probleem van de precarisering van de banen. De arbeidsomstandigheden in de textielfabrieken waren vaak zwaar, maar ze leverden wel relatief stabiele banen op (vaste contracten dus) en soms carrièreperspectieven - naast de sociale voordelen die voortkwamen uit bepaalde vormen van industrieel paternalisme26 (onderwijs, huisvesting, medische zorg…). Tegenwoordig zijn de beschikbare beroepen in deze voormalige industriegebieden sterk veranderd, met vaak kortere en onzekerdere contracten27. Industriële banen zijn vervangen door dienstverlenende banen, die minder aanzien hebben, minder betalen en vaak onzekere arbeidsomstandigheden kennen. Zo zien we bijvoorbeeld een sterke toename van banen in logistiek en transport in het noorden en oosten van Frankrijk 28 (kort door de bocht: in plaats van producten in Frankrijk te maken, slaan we op en leveren we producten die uit het buitenland komen), met lage lonen, een groot aandeel uitzendcontracten en zzp'ers, wisselende diensten voor chauffeurs... En zoals in veel plattelandsgebieden met een vergrijzende bevolking werken steeds meer mensen in de zorg en de thuiszorg, met zeer lastige arbeidsomstandigheden (versnipperd werk, zeer lage lonen…)29.
En naast deze precarisering is er ook het verlies van sociale status. In de fabrieken kon je echt waardevol technisch vakmanschap ontwikkelen30. Deze beroepen gaven echte trots en een plaats in de lokale samenleving, zeker omdat de gemaakte kleding en stoffen tastbare, voor iedereen zichtbare producten waren. En dat alles binnen een rijk lokaal leven, gestructureerd door de aanwezigheid van de fabrieken in deze streken: een dicht netwerk van cafés en kroegen, arbeidersvoetbalclubs, volksonderwijsverenigingen opgericht door vakbonden, enzovoort. Benoît Coquard, een socioloog die een langdurig onderzoek uitvoerde31 in de regio Grand Est, in het oosten van Frankrijk, waar veel textielfabrieken gesloten zijn, geeft daar een mooi voorbeeld van: “De industriële activiteit [...] bood een manier om een gemeenschappelijke identiteit te koesteren waar je “trots” op kon zijn. Je was van dit of dat dorp, er waren cafés en kroegen, verenigingen, een fabriek op steenworp afstand.” Tegenwoordig hebben beroepen in de zorg, de thuiszorg of de logistiek, ondanks hun cruciale rol, minder sociaal aanzien: ze zijn minder zichtbaar en geven niet meer diezelfde plek in de lokale samenleving. Al deze problemen hebben uiteindelijk verdeeldheid gezaaid binnen deze streken zelf: mensen zonder werk of die van het ene tijdelijke baantje naar het andere hoppen, worden sterk gestigmatiseerd. Benoît Coquard geeft het voorbeeld van het voetbalteam uit het dorp dat op uitwedstrijd gaat en dat “het dorp van de zielenpoten” wordt genoemd.
Naast de sociale gevolgen is er ook de ecologische kant van het verhaal. We hadden het eerder over lokale vervuiling zoals lozingen in rivieren of de verspreiding van hormoonverstorende stoffen, maar dan zouden we een vorm van vervuiling vergeten die geen grenzen kent: broeikasgassen.
B- De ecologische problemen: vergeet de CO2 niet
Een kledingstuk dat in het buitenland gemaakt wordt, stoot vaak veel meer CO2 uit dan wanneer het in Frankrijk gemaakt zou worden, want de energie die de machines in lagelonenlanden aandrijft, stoot doorgaans veel meer broeikasgassen uit dan in Frankrijk en Europa. Een kledingstuk dat in China wordt gemaakt, waar de elektriciteit vooral uit kolencentrales komt, stoot bijvoorbeeld twee keer zoveel broeikasgassen uit als hetzelfde kledingstuk gemaakt in Frankrijk32.
Maar vooral is er, naast de vervuiling per kledingstuk, het probleem van de toename van het aantal geproduceerde kledingstukken. “Dankzij” de verplaatsing van de productie zijn de prijzen van kleding gedaald en is de kledingconsumptie in Frankrijk sinds het begin van de jaren 80 meer dan verdubbeld33 tot 40 kledingstukken die een Fransman of Française per jaar koopt34.

Maar produceren is vervuilen: de broeikasgasuitstoot van de textielsector is ongeveer even snel gestegen als de productievolumes. Deze toename van het aantal geproduceerde kledingstukken is de belangrijkste reden waarom de textielindustrie er niet in slaagt haar broeikasgasuitstoot te verminderen.
Oké, de deïndustrialisatie van de textielsector was dus catastrofaal vanuit sociaal en ecologisch oogpunt, maar het heeft onze economie toch goed gedaan, of niet?
We zouden tevreden kunnen zijn met het feit dat we een niet zo strategische industrie hebben verplaatst. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de voedings- of de farmaceutische industrie is de textielindustrie niet echt essentieel. Als we ons niet meer kunnen voeden, gaan we dood. Als we ons niet meer kunnen verzorgen, gaan we ook dood. Maar bij een ernstige crisis hebben we in onze kledingkasten ruim genoeg kleding om jarenlang mee te overleven, en dan kunnen we die ook nog altijd repareren36. De episode met het mondkapjestekort tijdens de Covid-19-pandemie heeft textielfabrieken misschien een schijn van strategisch belang gegeven. Maar over het algemeen zijn modeproducten, zoals dit rapport van het Haut Commissariat au Plan (het Franse regeringsorgaan voor toekomstverkenning) in herinnering brengt, niet van levensbelang.
Maar in feite geldt: hoewel kleding op zich niet strategisch is, wordt het handelstekort dat ermee gepaard gaat dat uiteindelijk wel.
C- De problemen voor onze economie: het tekort en de bijbehorende risico's
In 2023 hebben we zo veel kleding uit het buitenland geïmporteerd dat de textiel- en kledingsector Frankrijk meer dan 10 miljard euro handelstekort heeft opgeleverd, bijna 20% van het totale tekort van het land buiten energie37.
Als we terugkijken, is het beeld nog somberder, want de textielsector draait al heel lang met een tekort: sinds 1993 heeft Frankrijk alleen al door de kledingsector meer dan 240 miljard euro aan handelstekort opgestapeld38…
En deze steeds terugkerende handelstekorten zijn niet zonder gevolgen: om ze te financieren, moet Frankrijk schulden maken. En na verloop van tijd loopt dat aardig op. In 2023 bedroeg onze netto schuld ten opzichte van de rest van de wereld 793 miljard euro39 : als die blijft stijgen, kan dat solvabiliteitsrisico's voor Frankrijk opleveren en een ernstige financiële crisis veroorzaken40 (we naderen trouwens de alarmdrempel van 35% van het bbp die is vastgelegd in de Europese procedure voor macro-economische onevenwichtigheden). Met zijn opgestapelde tekort van 240 miljard sinds 1993 draagt de kledingsector historisch gezien bijna een derde van die schuld. Kleding is dus op zich geen “vitaal” of “strategisch” product, maar het ontbreken van een kledingindustrie in Frankrijk genereert een schuld die onze economie op termijn bedreigt.
Oké, we snappen het: het verdwijnen van de textielindustrie heeft een hoop sociale, ecologische en economische drama's veroorzaakt… Maar betekent dat automatisch dat de oplossing is om de productie terug naar Frankrijk te halen?
De handelsbalans hoeft immers niet post voor post in evenwicht te zijn. Je zou liever andere economische sectoren “met een hogere toegevoegde waarde” willen herindustrialiseren en de textielsector, die van nature arbeidsintensiever is, overlaten aan de “lagelonenlanden”.
Je zou kunnen denken: we exporteren toch gewoon Rafale-gevechtsvliegtuigen en importeren H&M-t-shirts. Een adviseur van de toenmalige Franse minister van Economie Bruno Le Maire zei trouwens dat “de industriële toekomst niet in kleren zit, maar in het opschuiven naar een hoger segment”41 42.
Moeten we ons er dan maar bij neerleggen dat onze textielindustrie definitief ten dode is opgeschreven?
4. Moeten we de productie van onze kleding terughalen naar Frankrijk?
Om deze vraag te beantwoorden, moeten we terug naar de basis van de industrie: de machines. We hadden het eerder over naaimachines, die veel handwerk vereisen. Maar dat geldt alleen voor de laatste stap in het maken van kleding. Voor de stappen daarvoor gebruikt de textielindustrie veel indrukwekkendere machines. Bijvoorbeeld:



En jaar na jaar worden deze machines steeds verder verfijnd. Het gevolg: in de eerdere stappen van de kledingproductie wegen de arbeidskosten niet meer zo zwaar ten opzichte van de kosten van grondstoffen, machines en de energie om ze te laten draaien.
Vandaag de dag zijn de kostenverschillen tussen westerse landen en lagelonenlanden in theorie niet meer zo enorm. In een studie uit 201843heeft de federatie van fabrikanten van textielmachines het theoretische kostenverschil berekend van een stof tussen verschillende landen, in het geval de fabrieken over de meest recente machines zouden beschikken. Onder die omstandigheden zou een meter stof gemaakt in China vandaag de dag maar 24% goedkoper zijn dan in Italië. Want zelfs in Italië, waar arbeid duur is, zou die maar een klein deel van de totale kosten uitmaken:

In de toekomst zal dat verschil, door de voortdurende verbetering van de machines, de stijgende energiekosten en de oplopende arbeidskosten in sommige opkomende landen, alleen maar kleiner worden.
Onder deze omstandigheden lijkt de textielindustrie vandaag de dag niet zo veel te verschillen van andere sectoren zoals de chemie, de auto-industrie of de luchtvaart: arbeidskosten vormen een deel van de kosten, maar niet het grootste deel. Met overal de beste machines in elke productiestap zou het dus mogelijk moeten zijn om het lagere “prijsconcurrentievermogen” van westerse landen te compenseren met een beter “niet-prijsconcurrentievermogen”: bijvoorbeeld via een betere kwaliteit, een snellere reactiesnelheid, een grotere geografische nabijheid of een betere marktkennis. En dat is nu precies wat Italië heeft weten te doen, dat nog altijd over een zeer solide textielindustrie beschikt voor het maken van stoffen voor kleding.
Zeker, er is nog altijd de laatste confectiestap die veel handwerk vraagt (weet je nog, die met de naaimachines), en die nog altijd voor grote verschillen in prijsconcurrentievermogen kan zorgen. Het naaien van overhemden of broeken kost bijvoorbeeld zo veel tijd dat het heel moeilijk is om in Frankrijk tot acceptabele kosten te komen44. Maar niet alle kledingstukken vragen evenveel confectietijd: truien, sokken of zelfs t-shirts kunnen bijvoorbeeld lokaal gemaakt worden zonder dat de kosten daardoor de pan uit rijzen. En bovenal is het zeker mogelijk om stoffen voor de confectiestap naar het buitenland te sturen, zoals sommige merken al doen, bijvoorbeeld in Portugal (dat doen we bij Loom bijvoorbeeld voor onze chino's ). Vanuit ecologisch oogpunt is dat zinvol: de machines in de eerdere productiestappen verbruiken de meeste energie. Stoffen maken in Frankrijk of Europa, met minder koolstofintensieve energie, helpt om de broeikasgasuitstoot van de textielindustrie te verminderen.
Kortom, het zal die adviseur van Bruno Le Maire niet bevallen, maar denken dat textiel een industrie uit het verleden is die moet verdwijnen, en dat we alleen maar hoeven te “opschuiven naar een hoger segment” om raketten of halfgeleiders te bouwen, is eerder een slecht idee. Al decennia lang wordt ons trouwens verteld dat de Franse industrie zich moet specialiseren in hoogtechnologie om het te redden: we moeten wel vaststellen dat dit een vrij weinig renderende strategie is gebleken. Het is waarschijnlijk illusoir om je te willen specialiseren in industrieën “met een hoge toegevoegde waarde” als je de basisvaardigheden niet beheerst en geen brede industriële cultuur meer hebt. En is het niet een beetje naïef om te denken dat opkomende landen genoegen zullen nemen met het maken van goedkope producten? China en India laten zien dat ze kunnen slagen in de meest geavanceerde technologieën (bijvoorbeeld: luchtvaart of elektrische voertuigen in China, ruimtevaart of halfgeleiders in India).
In werkelijkheid moet Frankrijk ook weer een industrie opbouwen voor massaproducten (niet alleen voor luxeproducten), door voldoende te investeren in automatisering en robotisering. Dat kan in de voedingsindustrie of de auto-industrie, maar ook in de textielindustrie: of het nu gaat om technisch textiel of om de eerdere stappen in de kledingproductie, het is haalbaar. Dat kan helpen om ons handelstekort te verkleinen: in plaats van te willen “opschuiven naar een hoger segment” en producten aan het buitenland te verkopen (zoals vliegtuigen of handtassen), kunnen we ook lokaal maken wat we zelf consumeren.
Maar hoe pak je dat dan aan?
Om de textielsector weer een kans te geven, moeten we vooral eerlijkere spelregels invoeren. We leggen je uit waarom.
5. Hoe geven we de textielindustrie weer een kans?
In de talloze artikelen en rapporten over de herindustrialisering van Frankrijk lees je vaak hetzelfde: we moeten “de blokkades van de bureaucratische doolhof” wegnemen45, “de productiebelastingen verlagen”46, “overheidsopdrachten gericht inzetten”47...
Dat klopt allemaal deels. Maar in de textielsector mogen we de olifant in de kamer niet vergeten: kledingfabrieken in China of Bangladesh produceren tegen zeer lage prijzen, vooral omdat mensen er hongerlonen krijgen, de milieunormen er minder streng zijn, of zelfs helemaal ontbreken, en de fabrieken draaien op goedkope, zeer vervuilende energie (bijvoorbeeld: Russisch gas in China of Bangladesh). Dat alles vertekent de eerder getoonde vergelijking van productiekosten per land: ook al draaien Franse fabrieken met de nieuwste machines, de verschillen in sociale en milieunormen zijn zo groot dat het kostenverschil te groot blijft.
Kortom, er bestaat een “premie op wangedrag”, een concurrentievoordeel voor wie het fout doet.

Als we ooit weer een textielindustrie in Frankrijk willen zien opbloeien, moeten we dus eerst de voorwaarden voor eerlijke concurrentie met andere landen herstellen. Idealiter zouden lagelonenlanden sociale en milieunormen invoeren die net zo ambitieus zijn als de onze (of zelfs beter!), maar dat gaat waarschijnlijk heel, heel lang duren... Dus in de tussentijd moeten we de import van kleding die geproduceerd wordt in landen die het sociaal en ecologisch minder nauw nemen, bestraffen - of zelfs verbieden.
Dat is ook een van de conclusies van het recente rapport over herindustrialisering dat Bruno Le Maire liet opstellen door industrie-expert Olivier Lluansi: “Onze industrie [...] lijdt aan een groot concurrentietekort. Niet door haar eigen toedoen, maar door oneerlijke concurrentie met andere continentale grootmachten, Noord-Amerika of Azië. Deze situatie alleen met kostenbesparingen oplossen zou betekenen dat we ons sociale model of onze milieuambities - of allebei - moeten opgeven. Dat is niet acceptabel. Om weer eerlijk te kunnen concurreren, en tegelijk trouw te blijven aan onze waarden, moeten we rechtvaardige regels in de internationale handel herinvoeren.”
Concreet, in termen van regelgeving, wat zou dat dan betekenen? Alles moet nog bedacht worden, maar hier alvast een paar voorbeelden:
- Het toepassingsgebied verruimen van de Franse zorgplichtwet, die multinationals financieel bestraft wanneer ze mensenrechten en het milieu schenden. Op basis van deze wet hebben ngo's in Frankrijk een klacht ingediend tegen bepaalde merken die katoen gebruikten dat door Oeigoeren werd geoogst, onder omstandigheden die dicht bij slavernij komen. Zouden we het toepassingsgebied van deze wet niet moeten verruimen om ook merken te raken die produceren in fabrieken waar de betaalde lonen te ver afstaan van het leefbaar loon?
- Strengere toegangsnormen voor de Europese markt dan vandaag. De REACH-normen maken het al mogelijk om de import te verbieden van kleding die bepaalde chemische stoffen bevat. Maar zouden we deze normen niet kunnen uitbreiden door de introductie op de Europese markt te verbieden van kleding waarvan de productie het meest vervuilend is (of het meest “uitbuitend”)? Dat is het doel van de toekomstige Europese ESPR-verordening over ecologisch ontwerp van producten, al moet die dan nog wel ambitieus genoeg zijn…
- Een “bonus-malussysteem” op basis van het verschil tussen minimumloon en leefbaar loon, een soort “mechanisme voor sociale grenscorrectie”. Voorbeeld: als een merk produceert in een fabriek waar het loon slechts 30% van het leefbaar loon bedraagt, zou het merk een malus moeten betalen om de resterende 70% te dekken. Deze malus zou worden doorgesluisd naar merken die produceren in fabrieken met betere sociale omstandigheden. En dat zou een einde maken aan de druk die merken uitoefenen om de lonen laag te houden.
- Een ecologisch “bonus-malussysteem”, om kleding die het minst duurzaam is financieel te bestraffen en kleding die het meest ecologisch is te bevoordelen, op basis van de milieu-impactscore van kleding (die de impact van kleding beoordeelt op vlak van CO2-uitstoot, toxiciteit, waterverontreiniging, enz.). Maar eigenlijk... weet je wat? Deze wet bestaat al en werd afgelopen maart zelfs unaniem aangenomen door de Nationale Vergadering! Het probleem: om aangenomen te worden, moest deze wet ook nog door de Senaat worden gestemd... en ondertussen werd de Nationale Vergadering ontbonden. Deze wet dreigt dus in de vergetelheid te raken, maar met de beweging En Mode Climatproberen we ervoor te strijden dat ze weer boven water komt.

Zou dit soort regelgeving op zich volstaan om een kledingindustrie in Frankrijk te doen herleven? Nee. Het is een absoluut noodzakelijke voorwaarde om onze kledingindustrie concurrerender te maken, maar het zal helaas niet genoeg zijn.
Als een bos bijna helemaal is gekapt, groeit het niet van de ene op de andere dag weer aan. Om te herleven, heeft de kledingindustrie ook goed opgeleide arbeiders en arbeidsters nodig, ondernemers die fabrieken oprichten of overnemen, ambtenaren die overheidsopdrachten sturen, merken die meespelen door made in France te kopen, terreinen die door gemeenten beschikbaar worden gesteld om fabrieken te vestigen, enzovoort. We zullen ook veranderingen in onze consumptiecultuur nodig hebben: want zelfs met de nieuwste machines en geharmoniseerde sociale en milieunormen zal een kledingstuk maken in Frankrijk duurder blijven dan in Bangladesh. We zullen dus soberder moeten worden, minder kleding moeten kopen en die vaker moeten repareren.
Dat zal jaren kosten, waarschijnlijk zelfs decennia. Om dat voor elkaar te krijgen, moeten zo veel mogelijk mensen dezelfde visie delen: het is zeer wenselijk, maar ook heel goed mogelijk om de kleding die we dragen, weer bij ons te maken. Frankrijk kan opnieuw leren om zichzelf te kleden, en het heeft er alle belang bij om dat te doen. Waar wachten we nog op?
Illustratiecredit: Matthieu Lemarchal @tamieuh
En dank aan alle proeflezers en proeflezeressen van dit artikel: Olivier Lluansi, Anaïs Voy-Gillis, Antoine Camous, Karine Renouil Tiberghien, Flore Berlingen, Pierre Condamine, Maxime Froissant.
Wie zijn wij om dat te zeggen?
Je bent op La Mode à l’Envers, een blog van het kledingmerk Loom. Het gaat niet best met de textielindustrie, en de planeet betaalt het gelag. Dus alles wat we over de branche te weten komen, proberen we je hier uit te leggen. Want duurzame kleding maken is goed, maar dingen blootleggen, delen en anderen inspireren heeft nog veel meer impact.
Maken we bij Loom trouwens zelf kleding in Frankrijk? Ja, een paar! In ieder geval voor de stukken waarvoor we acceptabele prijzen kunnen aanbieden, zelfs met de Franse arbeidskosten, dat wil zeggen:
- Stukken waar relatief weinig handwerk in zit: sokken, mutsen, sjaals, riemen, bepaalde truien, bepaalde onderhoudsproducten.
- Stukken waarop andere merken van oudsher een hele grote marge hanteren, en waarop we dus competitief blijven met made in France door onze eigen marge te verlagen: zonnebrillen.
- Stukken waarvan de stoffen in Frankrijk gemaakt worden en die vervolgens in Portugal in elkaar worden gezet: chino's, jasjes, overhemdjacks van velours, zwemshorts.
- Ten slotte hebben we bepaalde producten die gedeeltelijk gemaakt zijn met Frans linnen, de enige textielgrondstof die we lokaal produceren (samen met wol): hemd van katoen-linnen, hemd met officierskraag.
Het doel is natuurlijk om er steeds meer van te kunnen aanbieden. Maar om dat voor elkaar te krijgen, hebben we de nieuwe regelgeving nodig die we hierboven in het artikel noemden!
Trouwens, we maken nooit reclame: vind je wat we schrijven leuk en wil je meer? Klik dan hier om je in te schrijven voor onze nieuwsbrief. Beloofd: we mailen je hooguit één keer per maand.
Noten
1 : Bron FIMIF. Schatting bevestigd door deze studie van DEFI IFM in 2024.
2 : Terwijl we in de jaren 60 nog vrijwel al onze kleding in Frankrijk maakten (de douanestatistieken laten destijds zeer weinig kledingimport zien).
3 : Ouest France 2020
4 : Les Echos 2024
5 : Fashion Network 2024
6 : Cijfers van URSSAF (de Franse instantie die sociale premies int) voor de textiel-APE-codes (bron). Soms lees je ook het cijfer van 60.000 banen voor de textiel- en kledingindustrie in Frankrijk (exclusief leer). Dat komt niet precies overeen met wat we hier vinden met de cijfers van URSSAF (36.000 + 31.000 = 67.000 banen). Dit cijfer komt uit een berekening van het OPCO (het Franse opleidingsfonds), waarvan de afbakening niet helemaal hetzelfde is: het combineert alle APE-codes met de identificaties uit de cao's voor de textielsector. Dat is dus preciezer, maar het levert niet de uitsplitsing textiel/confectie die we hier nodig hadden voor de onderbouwing.
7 : Bron URSSAF
8 : 64% van de in Frankrijk gemaakte lederwaren zijn handtassen (bron INSEE).
9 : Le Monde 2019
10 : Verderop hebben we het over de 50 fabrieken die aan alledaagse kleding werken. Als we uitgaan van 200 mensen per fabriek, wat al erg optimistisch is, komt dat neer op 10.000 werknemers.
11 : 8000 fabrieken volgens dit rapport.
12 : Bronnen Fashion Network en La Voix du Nord.
13 : Rapport INSEE Made in France.
14 : Bron: Textile et vêtement : Faire face aux mutations, rapport van de OESO, 2005.
15 : Why Robots Can't Sew Your T-Shirt, Harris Quinn voor Wired
16 : What is SMV in garments industry, Textile Scholars.
17 : Textile et vêtement : Faire face aux mutations, rapport van de OESO, 2005.
18 : UE : hausse de 15 % des importations d’habillement de Chine en janvier-février, Fashion Network (23/05/2006)
19 : Bron: The industry we want
20 : Bron: France 24
21 : Asian rivers are turning black. And our colorful closets are to blame, CNN 2020.
22 : Les Dessous Toxiques de la Mode, Greenpeace 2012.
23 : Reportage van Martin Weill “Victimes de la Mode”, TMC 2022: gemeten loodgehalte 4 keer hoger dan de REACH-normen in een Shein-kledingstuk dat in Frankrijk werd geïmporteerd.
24 : Werkloosheidscijfer 3e kwartaal 2021 volgens INSEE : 10,0% in de regio Nord, 10,2% in de Aube, 8,5% in de Vosges tegenover 7,9% in continentaal Frankrijk.
25 : Bron INSEE 2020: 29,7% werkloosheid onder de 15-64-jarigen in Roubaix. En met de sluiting van Camaïeu, dat er zijn hoofdkantoor had, blijft het noodlot de stad achtervolgen - meer dan ooit slachtoffer van de goedkope textielindustrie.
26 : Bijvoorbeeld bij Boussac textile : oprichting van scholen, opening van kinderdagverblijven in de buurt van de fabrieken, bouw van woningen en zelfs huishoudscholen en leerlingscholen.
27 : “In 2017 had 44% van de werknemers in de industrie een vast contract, tegenover 28% in de dienstensector. De industriële sector geeft de middenklasse zo banen die zowel beter betaald als stabieler zijn” Bron: Désindustrialisation (accélérée) : le rôle des politiques macroéconomiques, François Geerolf en Thomas Grjebine.
28 : Revue DARES 2020 Travail et Emploi : “Gezien de vereisten op het gebied van arbeidskrachten worden gebieden [...] met industriële neergang bij voorrang geviseerd, waarbij logistiek zo een bevoorrechte ontwikkelingsas wordt voor de revitalisering van de zogenaamde getroffen gebieden. In het noorden van Frankrijk, in het grensgebied in het oosten, in de grote Parijse agglomeratie of het Rhônebekken zijn zo arbeidersbekkens ontstaan met een sterke logistieke component.
29 : « Faire du domicile » à la campagne : identités professionnelles des aides à domicile pour personnes âgées dans les mondes ruraux, 2023.
30 : Professionnels du textile : se construire une conscience fière, Françoise Faye, 2005.
31 : Benoît Coquard, Ceux qui restent. Faire sa vie dans les campagnes en déclin (La Découverte, 2019).
32 : Assessment of Carbon Footprint for the Textile Sector in France, Cycleco, februari 2021: 20,90 kilo CO2eq per kilo textiel volledig gemaakt in Frankrijk tegenover 43,43 kg in China.
33 : In 1984 bedroeg de kledingconsumptie in Frankrijk 1,3 miljard stuks, dus 23 kledingstukken per Fransman/Française. Bron: INSEE-enquête 1984 onder 7500 huishoudens. Vandaag de dag is dat 2,7 miljard kledingstukken, volgens de eco-organisatie Refashion.
34 : Bron: Jaarverslag Refashion 2022. 3,3 miljard * 83% kledingstukken / 67,8 miljoen inwoners * 99% = 40 kledingstukken per inwoner. Als je schoenen en huishoudtextiel meetelt, kom je op bijna 50 textielstukken per Fransman.
35 : Bron Fred Economic Data.
36 : Trouwens, het repareren van kleding werd door regeringen in oorlogvoerende landen sterk aangemoedigd, zie de campagne Make Do and Mend in het Verenigd Koninkrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog
37 : Cumulatief tekort textiel + kleding sinds 1993 volgens de Franse douane (exclusief leer) (bron).
38 : Bronnen Franse douane, berekeningen op basis van dit document.
39 : Onze handelstekorten dragen bij aan het uitdiepen van onze lopende-rekeningtekorten (die onder meer de handel in diensten meetellen). En na verloop van tijd creëert dat een buitenlandse schuld, technisch de “netto externe positie” van Frankrijk genoemd. Dat die negatief is, betekent dat buitenlanders meer bezittingen in Frankrijk hebben dan Franse ingezetenen bezittingen in het buitenland hebben. Meer informatie op de website van de Banque de France.
40 : “De externe positie maakt het mogelijk om voor een land het risico in te schatten op een financiële crisis op korte termijn (plotselinge liquiditeitskrapte) of op lange termijn (insolventierisico), in overeenstemming met de analysemethoden die internationale organisaties doorgaans hanteren". Bron: La position extérieure : éléments de mesure et utilité pour la politique monétaire et la stabilité financière, Banque de France, 2003.
41 : Marine Le Pen et Eric Zemmour esquissent leurs propositions économiques au salon du Made in France, Ivanne Trippenbach voor Le Monde (15/11/2021).
42 : Deze overtuiging dat het opschuiven naar een hoger segment de juiste weg is, sluit aan bij het standpunt van het Gallois-rapport uit 2012, “Pacte pour la compétitivité de l’industrie française”, waarvan het tweede deel “Une ambition industrielle, la montée en gamme” heet.
43 : Bron IPCC 2018
44 : Om een idee te geven: een overhemd kost ongeveer 30 minuten naaitijd, en aangezien het uurloon voor arbeid in Frankrijk bijna 40 euro bedraagt, komt dat neer op 20€ productiekosten alleen al voor de Franse arbeid. Als je de klassieke merk-multiplier toepast (x5), kom je dus op 100€ alleen al voor deze stap.45 : Réindustrialisation : pourquoi la France a tout pour réussir ? Augustin de Romanet voor Le Cercle des Economistes (27/11/2023)
46 : Bruno Le Maire: «Baisser les impôts de production est une des conditions pour réindustrialiser la France», L'Opinion (07/10/2022)
47 : La réindustrialisation de la France d'ici 2035 s'annonce comme une guérilla plus qu'une «Blitskrieg», Solène Davesne voor L'Usine Nouvelle (08/06/2024)
.jpg)

.jpg)



.jpg)


















































